Tibet – China, een verhouding van 750 jaar
in

Tibet is altijd een onafhankelijk land geweest en in de jaren '50 van de vorige eeuw hebben de Chinezen Tibet bezet. Dat is wat de Dalai Lama zegt. De bewering klopt niet met de historische feiten. Tibet werd in het midden van de 13de eeuw een administratieve regio onder gezag van de centrale Chinese regering. De overheid deelde de Tibetaanse regio op in drie arrondissementen met elk een gouverneur-generaal aan het hoofd. Deze drie werden benoemd door de desi (de Tibetaanse koning), of door de centrale regering, of door de keizer zelf. De centrale overheid richtte een Administratieve Raad op, het regeringsorgaan dat verantwoordelijk was voor Tibetaanse zaken. De keizer stelde Desi Basiba aan als het hoofd van de Administratieve Raad. De hoogste functionarissen werden door dekeizer benoemd, na te zijn voorgedragen door de Administratieve Raad. De centrale regering kende ook hoge titels toe zoals Ningguo Gong (hertog die vrede brengt in het keizerrijk), Wenguo Gong (hertog die cultuur brengt in het keizerrijk), Sanzang Guo Shi (keizerlijke leermeester die aangesproken moest worden als Zijne Heiligheid de Sanzang - een hogepriester van het bouddhisme). Vanaf het midden de 13de eeuw zond de centrale overheid functionarissen naar de Tibetaanse regio om volkstellingen te houden. Keizer Kublai Khan zond zo'n missie in 1260 om te kunnen nagaan hoe en welke belastingen hij kon heffen. Die operatie werd acht jaar later nog eens overgedaan. In die periode bouwde de overheid een postsysteem uit dat tot in de Tibetaanse regio reikte. Daar werden 27 stations gebouwd die een snellere postverbinding moesten garanderen tussen Tibet en de rest van China. Zij zouden in de toekomst ook zorgen voor betere banden tussen Tibetanen en andere etnische groepen in China. In 1368 werd de Yuan-dynastie vervangen door deze van de Ming. Keizer Zhu Yuanzhang zond het jaar na zijn troonsbestijging functionarissen naar de Tibetaanse stammen om hun onderhorigheid aan de keizer te aanhoren. Het beleid van de Yuan dynastie ten opzichte van Tibet werd verdergezet. In 1375 richtte de keizer in het Tibetaanse Elisi een militair-administrtatief kantoor op. Hij benoemde de eunuch Sigong tot marshall van dit kantoor. Aangaande de verschillende religieuze sekten in Tibet volgde de Ming-dynastie de politiek van gelijke behandeling. De leiders van verscheidene sekten kregen de titel "Zijne Heiligheid" of "Koning". De cheffen van de kloosters kregen titels als "Boeddha van de Westelijke Hemel", "Keizerlijke Leermeester", "Zen Meester". De meest begeerde titel was die van "Zijne Heiligheid". Die ging naar de drie belangrijkste religieuze leiders. In 1642 haalden de vijfde Dalai Lama en de Panchen Lama in Tibet de overhand. De Dalai Lama werd de hoogste Tibetaanse religieuze en wereldlijke leider. Het eerste wat hij deed was naar Beijing trekken om eer te bewijzen aan de keizer en de keizer sprak zijn zegen uit over zijn rol en functie. In 1652 trok de vijfde Dalai Lama opnieuw naar het keizerlijk hof. Hij werd ontvangen door keizer Shunzi van de Qing-dynastie. De keizer maakte in de Verboden Stad de Gele Tempel vrij als gastverblijf voor de Dalai Lama die daar een jaar verbleef. In 1720 voerde de keizer een administratieve herstructurering door in Tibet. Hij schafte de titel 'koning' af en verving die man door vier kelons (ministers). Toen in 1727 deze kelons onder mekaar op de vuist gingen, zond de keizer troepen die de orde herstelden. In 1793 kwam het 29 artikels tellende Keizerlijk Charter tot stand dat de interne politieke en religieuze regels van Tibet vastlegde alsook de verhouding tussen Tibet en de centrale overheid. Er staat onder meer in dat de benoeming van de Dalai Lama en de Panchen Lama de goedkeuring moet krijgen van de centrale Chinese overheid. Het Kiezerlijk Charter versterkte de controle van de centrale overheid op Tibet. In 1911 zakte het keizerlijke regime in China in mekaar. De Chinese Republiek werd uitgeroepen. Die verklaarde meteen plechtig: "Nationale eenheid wil zeggen dat de mensen van de Han, de Mongoolse, de Manchu, de Hui en de Tibetaanse etnie en nationaliteit tot één volk behoren. Territoriale integriteit wil zeggen dat de gebieden die bewoond worden door Han, Mongoliërs, Tibetanen, Hui, allemaal tot het nationale grondgebied behoren." De Voorlopige Grondwet stipuleerde ook dat Tibet tot het Chinese grondgebied behoort. De regering zette een Tibetaans Bureau op dat onder de bevoegdheid van de centrale regering viel. In 1912 kende de centrale regering de Dalai Lama opnieuw de titel toe van "Boeddha van de Westelijke Hemel". In 1913 werden tien mensen uit Tibet lid van de Kamer en de Senaat. Toen de Kuomintang in 1927 in Nanjing een nationale regering opzette, bevestigde ze dat Tibet deel uitmaakt van het Chinese grondgebied. De 13de Dalai Lama zond een boodschapper naar Nanjing om over de toestand in Tibet te rapporteren en om zijn steun uit te spreken aan de centrale regering. In 1930 zei de Dalai Lama in een onderhoud met de speciale regeringsgezant Liu Manqing: "Mijn diepste wens is dat China op vreedzame wijze herenigd wordt. Ik begrijp dat de Britten mij een loer willen draaien maar wij mogen onze nationale soevereiniteit niet verliezen." Tijdens de moeilijke jaren van de Chinese Republiek probeerden de Britse en Amerikaanse imperialisten inderdaad Tibet te verdelen en af te scheiden van China. In 1949 kwam er een einde aan de periode van de Republiek. De Chinese Volksrepubliek werd uitgeroepen. De twee volgende jaren versloeg het Volksbevrijdingsleger de laatste restanten van de Kuomintang. Op 29 oktober 1951 bereikte het leger de Tibetaanse hoofdplaats Lhasa. In 1965 werd, in overeenstemming met het speciale statuut dat Tibet sinds de 13de eeuw binnen China genoot, de Autonome Regio Tibet uitgeroepen.

Bovenstaande is een samenvatting van een artikel dat op 29 april 2008 verscheen in de Chinese editie van het dagblad Renmin Ribao.