"China wankelt op de rand van scherp verval". Zo titelde de Financial Times, Europa's belangrijkste financiële krant. Na de Verenigde Staten, Europa en Japan zou de economische crisis nu ook in China zwaar toeslaan. De crisis, zo lijkt het, is een of ander natuurfenomeen dat iedereen en alleman treft, welk economisch systeem je ook toepast. Of toch niet?
De drie voorbije jaren groeide de Chinese economie jaarlijks met gemiddeld 11 procent. Vorig jaar was dat zelfs 11,9 procent. Dit jaar zal de Chinese economie met slechts 9,3 à 9,6 procent toenemen. Laten we deze cijfers even in perspectief zetten.
De Chinese economie groeit aan een hoog ritme. Niet alleen de voorbije 3 jaar, maar de voorbije 30 jaar. Over deze lange periode bedroeg de gemiddelde jaarlijkse economische groei 9,9 procent – dat is nooit gezien in de geschiedenis. De productie die nu op één week in China gemaakt wordt, is groter dan de productie van heel het jaar 1978. In het spoor van de economische ontwikkeling heeft de welvaart een enorme sprong vooruit gemaakt: het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking ligt nu 12,5 keer hoger dan in 1978, ook al groeide de bevolking in die periode aan met 360 miljoen zielen – of beter gezegd magen, die allemaal gevoed moeten worden. Alle landen van de derde wereld die net als China vechten om uit de onderontwikkeling te geraken, staan perplex van het succes van het Chinese model. Zelfs als de groei van de Chinese economie dit jaar terugvalt tot 9,3 procent, dan nog is dat een bijzonder hoog cijfer. In de Verenigde Staten is er dit jaar geen groei, de economie krimpt met 1 procent. In Japan krimpt de economie met 0,5 procent. In de eurozone zal de economische groei nul bedragen. De 'crisis' in China heeft dus een heel andere betekenis dan in Europa, Japan en de Verenigde Staten.
De groei van de Chinese economie is van levensbelang voor de hele wereld. Voor een groot aantal inwoners van de derde wereld is de omschrijving 'van levensbelang' letterlijk te interpreteren. In april van dit jaar berekende het Internationaal Monetair Fonds dat de economische groei in China 27 procent uitmaakt van de groei in de hele wereld. China is de belangrijkste motor van de wereldeconomie geworden. Dit jaar zal die 27 procent uitgroeien tot boven de 35 procent. Voor de rest van de wereld betekent de Chinese groei: meer uitvoer naar dat land en meer invoer van goedkope Chinese producten die de consumptie in hun landen opkrikt, de inflatie (de prijsontwaarding) terugdringt en zo de economie stimuleert. Valt de Chinese motor stil, dan krijgen veel landen in de wereld een lelijke klop.
De westenwind is negatief
De verminderde groei in China is het resultaat van twee fenomenen. Het eerste fenomeen is de economische crisis in de Verenigde Staten, Japan en West-Europa. In het derde kwartaal van dit jaar (de periode juli-september) daalde de consumptie van de Amerikaanse gezinnen met 3,1 procent. De verkoop van duurzame huishoudgoederen verminderde zelfs met 14,1 procent. De lagere consumptie is een gevolg van de verarming van de Amerikaanse bevolking. Een regeringsrapport meldde begin november dat het beschikbaar inkomen van de gemiddelde Amerikaan in het derde kwartaal 8,7 procent lager lag dan in hetzelfde kwartaal van 2007. Het inkomen van de Amerikaanse gezinnen boert al decennia constant achteruit. Tot drie jaar geleden was die verarming relatief: het inkomen van de gemiddelde Amerikaan nam nog toe, maar veel minder snel dan de economie groeide. In de voorbije 8 jaar, van 2000 tot 2007, steeg de productie van goederen en diensten in de Verenigde Staten met 18 procent maar het reële inkomen ging niet meer in relatieve maar in absolute zin achteruit. De mannelijke, blanke Amerikaanse arbeider en bediende konden nog net loonsverhogingen afdwingen die gelijke tred hielden met de prijsstijgingen in de winkel. Maar de vrouwen, de Spaanssprekenden en de zwarten gingen er netto op achteruit. Het gemiddelde inkomen van een Spaanssprekend Amerikaans gezin ligt nu 2,2 procent lager dan in het jaar 2000.
Het gevolg is onvermijdelijk: de mensen kunnen de producten niet meer kopen die ze zelf produceren. Het Economic Policy Institute, een denktank in Washington, schrijft: "De consument heeft zich uiteindelijk moeten overgeven. De voorbije jaren leende hij om te consumeren. Nog meer lenen om te consumeren is uitgesloten." Vandaar dat de afzet in het derde kwartaal naar beneden ging: de mensen kopen minder, van cornflakes en hamburgers tot auto's. De economie krimpt, fabrieken gaan dicht of verminderen hun productie, de werkloosheid neemt toe, het inkomen van de bevolking zakt verder weg, de mensen kopen minder, enzovoort.
In Europa doet zich hetzelfde voor, maar met enige vertraging. De economie van de landen uit de eurozone kromp in het tweede en derde kwartaal van dit jaar met 0,2 procent. In heel Europa hapert de staalproductie, de bouwsector heeft nauwelijks nog werk en autofabrieken vallen stil. Volvo-Scania bijvoorbeeld had in het derde kwartaal van dit jaar orders voor de productie van 115 vrachtwagens. In die periode vorig jaar had het bedrijf nog orders voor 42.000 vrachtwagens.
Oververhitting tegengaan
De crisis in de kapitalistische wereld is het belangrijkste fenomeen dat de Chinese economie in negatieve zin beïnvloedt. Het tweede fenomeen zijn de economische maatregelen die de Chinese overheid in de loop van het voorjaar van 2008 genomen heeft. Vanaf de tweede helft van 2007 werd duidelijk dat de inflatie, de stijging van de prijzen, aan het toenemen was. De basis daarvan was een te vlug groeiende economie. In het 5-jarenplan dat in 2004 opgesteld werd, schreef de overheid dat in de periode 2005-2010 de economische groei best tussen de 8 en 9 procent zou schommelen. Vorig jaar bedroeg de groei 11,9 procent. Bij een dergelijk ritme swingen de investeringen de pan uit. Om die te compenseren, drijven de ondernemingen de verkoopprijs van hun producten te snel op. In februari bedroeg de inflatie inderdaad 8,7 procent. De overheid had voor 2008 gemikt op een inflatie van minder dan 4 procent. De regering greep in en beperkte de leningen die banken aan ondernemingen mogen geven en dwong de banken meer geld in reserve te houden om zich in te dekken tegen uitstaande leningen. Die maatregelen hadden snel effect: in oktober bedroeg de inflatie nog 4 procent. Dat was maar mogelijk omdat de staat de sleutelsectoren en de banken in bezit heeft. Deze macro-politiek werd in de hand gewerkt door de wereldwijde daling van de grondstofprijzen vanaf de tweede helft van dit jaar. De economische politiek remde de groei, wat ook de bedoeling was, maar de Chinese overheid had niet verwacht dat de Amerikaanse, Europese en Japanse economie zo dicht bij de instorting stond.
Chinese uitvoer neemt minder snel toe
De eerste fase van de crisis in de kapitalistische wereld was de crisis van het bank- en verzekeringssysteem. Daarvan heeft China weinig last gehad. In de Verenigde Staten en Europa ging de ene na de andere bank overkop. De grote banken schreven mega-verliezen in. Die lopen nu wereldwijd op tot 1.500 miljard dollar. De Chinese banken en verzekeringsinstellingen verloren slechts 10 miljard dollar, het grootste gedeelte daarvan door Chinese participaties in de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers en in het Belgisch-Nederlandse Fortis. Alles bij mekaar is het Chinese verlies beperkt.
De economische crisis die op de financiële crisis volgde, treft China harder dan verwacht. Dat werd voelbaar vanaf het derde kwartaal van 2008.
De Chinese economie heeft drie motoren: de investeringen, de consumptie en de uitvoer. De voorbije drie jaar waren de investeringen goed voor 40 procent van de economische groei. De consumptie droeg 37 procent bij en de uitvoer 23 procent. Maar volgens de Wereldbank was de uitvoer in het derde kwartaal van dit jaar nog maar goed voor 12 procent van de economische groei. De bijdrage van de export tot de groei is daarmee bijna gehalveerd. De uitvoer groeit nog wel, en zelfs aan een zeer hoog ritme, maar minder snel dan de vorige jaren. In de drie eerste kwartalen steeg de uitvoer met 22,3 procent. Vorig jaar steeg ze in die periode met 27,1 procent. De Chinese regering verwacht dat over het hele jaar de groei van de uitvoer maar net boven de 20 procent zal uitkomen. De oorzaak van die vermindering is de lagere groei van de handel met de Verenigde Staten en Europa. De handel met heel wat andere landen blijft daarentegen even snel of zelfs sneller groeien. In de drie eerste kwartalen groeide de uitvoer naar Latijns-Amerika en naar India met telkens bijna 50 procent. (Dit is één van de positieve effecten van de crisis: de Zuid-Zuid handel neemt toe, de afhankelijkheid van de derde wereld ten opzichte van de VS en Europa daalt.)
De Chinese economie wordt het hardst getroffen in zijn arbeidsintensieve en exportgerichte sectoren zoals kleding, textiel, speelgoed. Die zijn geconcentreerd in het zuiden van het land, vooral in Guangdong. Deze provincie is zes keer groter dan België. Hier wonen 90 miljoen mensen. Dit jaar zal de uitvoer vanuit Guangdong groeien met 11 procent. Vorig jaar was dat met 24,5 procent. In de steden Shenzen en Dongguan van de provincie Guangdong gingen dit jaar al 1.300 ondernemingen dicht; dat zijn vooral kleine fabrieken. Het moet gezegd dat de vermindering van de tewerkstelling in het zuiden van het land een proces is dat al een paar jaar bezig is. Dat heeft te maken met de verhuis van de arbeidsintensieve sectoren naar het binnenland, een politiek die de overheid doorvoert om de economische groei geografisch te laten uitdeinen en de achterstand van het centrum en het westen van het land op het oosten en het zuiden deels goed te maken. De arbeidsintensieve sectoren in het zuiden worden vervangen door de dienstensector en door technologisch verder gevorderde industrieën. De overheid wilde dit proces zonder al te grote schokken en op een geleide manier laten verlopen maar de terugval van de exportgroei bruuskeert dit proces.
Verminderde groei van de economie
De mensen die in de arbeidsintensieve en exportgerichte sectoren werken, zijn voornamelijk binnenlandse migranten: boeren die naar de Chinese groeipolen afgezakt zijn op zoek naar een job en een hoger inkomen. De verminderde tewerkstelling heeft een invloed op het inkomen van de groep van de boeren in zijn geheel. De regering schat dat het netto-inkomen van de gemiddelde boer dit jaar zal toenemen met 7 procent. Dat is – in vergelijking met de vermindering van de koopkracht in het Westen – een hoog cijfer maar het is toch 2 procent lager dan vooropgesteld.
In het land ontstaat het gevoel dat alles iets minder snel vooruit zal gaan dan de voorbije jaren. Het consumentenvertrouwen wordt minder groot. De verkoopstoename in de sector van duurzame huishoudgoederen zoals wasmachines, tv's, airconditioners vertraagt. In de maanden juli en augustus groeide de verkoop in deze sector met 18,5 procent ten opzichte van de twee zomermaanden van vorig jaar. Maar in het eerste kwartaal bedroeg de groei 23,2 procent.
Zo deinen de negatieve effecten uit naar meerdere sectoren van de economie. Vier grote staalfabrikanten, allemaal staatsbedrijven, hebben beslist in de twee laatste maanden van het jaar hun productie te verminderen met 20 procent ten opzchte van de geplande productie. Eenzelfde fenomeen ziet men in andere sectoren. De minder snelle groei heeft een weerslag op het inkomen van de overheid. Vorig jaar nam het inkomen van de overheid toe met 32 procent. Dit jaar zal het toenemen met 20 procent.
In vergelijking met de economie in de Verenigde Staten, Japan en Europa, zijn de groeicijfers in China nog altijd buitengewoon hoog. De crisis, schreven we, slaat het hardst toe in de exportgerichte gebieden. Zoals in de zuidelijke steden Shenzhen en Dongguan. Toch bedroeg de groei van de economie in die laatste stad in de eerste tien maanden van het jaar 15,1 procent – weliswaar 2 procent minder dan in 2007, maar toch nog 15 keer hoger dan de groei in Europa. En in welk ander land mag de overheid dit jaar een toename van haar inkomen verwachten met 20 procent?
Van dat inkomen zal de regering de komende twee jaar gebruik maken om honderden miljarden euro in de economie te pompen. Het gevaar van oververhitting en inflatie is voorbij. Het is tijd voor meer investeringen om de negatieve infectie vanuit het Westen te stoppen. Dat is de kern van het stimuleringsplan.
Infrastructuur en verhoging koopkracht
De regering wil 450 miljard euro extra uitgeven in 10 domeinen:
- De bouw van miljoenen huizen ten belope van 95 miljard euro voor de middengroepen en de lagere inkomens.
- De uitbouw van de infrastructuur op het platteland geconcentreerd op wegenbouw, elektriciteitscentrales, drinkbaar water.
- Opdrijven van het ritme waaraan het spoorwegnet en de vlieghavens in het land uitgebouwd worden.
- Een snellere uitbouw van de infrastructuur voor gezondheidszorg, onderwijs en cultuur vooral in centraal en westelijk China.
- De bouw van zuiveringsstations en van milieuvriendelijke faciliteiten voor de verwerking van huisvuil, het opdrijven van aanplantingsprogramma's, steun aan projecten voor energiebesparing en milieucontrole.
- Financiële aanmoedigingen voor technologische innovatie in de industrie en ondersteuning van de hoogtechnologische en dienstensectoren.
- Nog snellere heropbouw van het rampgebied dat door de aardbeving van 12 mei getroffen is.
- Optrekken van het gemiddelde inkomen zowel in de stad als op het platteland en verhoging van de prijzen die aan de boeren betaald worden. Snellere uitbouw en grotere financiering van de sociale zekerheid, inzonderheid het pensioenstelsel.
- Vermindering van de vennootschapsbelasting ten bedrage van 15 miljard euro mits investeringen in technologische modernisering.
- Ondersteuning van bankkredieten voor de financiering van projecten die slaan op de infrastructuur op het platteland, kleine en middelgrote ondernemingen, technologische innovatie en rationalisering via schaalvegroting van de productie.
Het plan heeft dus drie assen: de snellere uitbouw van de infrastructuur met voorrang aan het platteland, aanmoediging van bedrijfsinvesteringen mikkend op tewerkstelling en op technologische vernieuwing, versterking van de koopkracht via de verhoging van het minimumloon en het gemiddelde loon en via de uitbouw van de sociale zekerheid. De overheid is ook zinnens het belastingvrij minimum (het inkomen waarop de mensen geen belasting moeten betalen) op te trekken met de helft. Op het platteland is er een prijsdaling van 13 procent voor duurzame huishoudgoederen.
Het Chinese plan gelijkt niet veel op de plannen die tot nog toe in de kapitalistische landen genomen zijn. De kern daarvan is: sanering van de financiële sector met belastingggeld om hem daarna terug te geven aan de privé – socialisering van de verliezen en privatisering van de winsten. Over het Chinese plan zegt Nicholas Lardy van het Peterson Institute for International Economics in Washington: “Dit is indrukwekkend. China stelt een voorbeeld aan andere landen.” Bruce McCain, investeringsstrateeg bij Key Private Bank in Cleveland: “Dit plan wekt optimisme, niet alleen voor de Chinese economie maar voor de hele wereldeconomie.” Moshe Adler, directeur van Public Interest Economics schrijft: “De Chinese overheid zit niet gevangen in het ideologische keurslijf van de Vrije Markt. Daarom kan ze zo'n programma lanceren. De Verenigde Staten zouden deze keynesiaanse opvatting moeten importeren. We moeten ophouden met allerlei cadeau's uit te delen. We moeten ons geld gebruiken om onze maatschappij te herstylen.”
Het regeringsplan overkoepelt de diverse plannen die op provinciaal vlak al genomen zijn, vult ze aan en stuurt ze bij. Zo zijn 40 steden al begonnen met de aanleg van 3.000 kilometer spoorwegen. De provincie Guangdong gaat 4,5 miljard euro investeren in vervoer, energievoorziening, telecommunicatie, wetenschappelijke innovatie en waterbeheersing, allemaal in de plattelandsgebieden. De steden van boven de 4 miljoen inwoners bouwen hun metrolijnen uit. Shanghai en Beijing leggen meer hogesnelheidslijnen aan. In diverse regio's zijn al projecten op gang getrokken voor de bouw van crèches, scholen, nieuwe ziekenhuizen, ontspanningsruimten voor ouderen,... De financiering van de totaalsom die vermoedelijk een heel stuk boven de 450 miljard euro zal uitkomen, gebeurt door de centrale overheid, de plaatselijke overheden, de staatsbanken en de grote overheidsondernemingen en -holdings zoals Bao Steel, Shanghai Industrial Investment, Cosco, China Investment Corporation... De centrale regering heeft 10 grote ondernemingen en holdings aangeduid die een investeringsfonds moeten uitbouwen om de plaatselijke overheid te ondersteunen in investeringsprojecten. Ieder van die fondsen zal een kapitaal opbouwen van 1 tot 4 miljard dollar. Voor de hervormingen in 1978 van start gingen, zorgden de overheidsondernemingen voor 'de ijzeren rijstkom': wie hier werkte was levenslang zeker van werk, loon, huisvesting, sociale zekerheid. De hervorming van de overheidsondernemingen in de jaren '90 heeft de rol van deze bedrijven teruggebracht tot produceren en winst maken. Of de nieuwe financieringspolitiek van investeringen de rol van de overheidsbedrijven in de praktijk opnieuw een bredere maatschappelijke dimensie zal geven, moet de toekomst uitmaken.
Dit artikel is geschreven door Peter Franssen, redacteur van www.infochina.be, op 18 november 2008.
Bronnen:
- Geoff Dyer, 'Indicators hint China on verge of sharp decline', Financial Times, 20 oktober 2008
- Bureau of Economic Analysis (Washington), 'National Economic Accounts: gross domestic products, third quarter 2008', 30 oktober 2008
- Lawrence Mishel e.a., State of Working America 2006-07, Economic Policy Institute, Cornell University Press, Ithaca, Tabel 3.3
- Algemon Austin en Marie T. Mora, 'Hispanics and the economy', EPI Briefing Paper nr. 225, 31 oktober 2008
- L. Josh Bivens, 'American consumers shopped but have now dropped', Economic PoIicy Institute, 29 oktober 2008
- Nationaal Bureau voor de Statistiek, China Statistical Yearbook, Beijng, edities 2007 en 2008
- 'How to interpret the fall of GDP growth to 9.9%', People's Daily, 21 oktober 2008
- Brad Setser, 'How severe a slump in China?', Council for Foreign Relations, 7 november 2008
- Diao Ying, 'Exports still rising, but pace slows', China Daily, 12 november 2008
- 'China sees substantial trade growth with Latin America', Xinhua, 12 november 2008
- Ivan Zhai, 'Guangdong sees dramatic slowdown', South China Morning Post, 8 november 2008
- Chris Devonshire-Ellis, 'Conflicting Global Economic Signals as Europe Applauds More Chinese Imports', China Briefing, 24 oktober 2008
- Liang Qiwen, 'Delta region bears brunt of slowdown', Shanghai Daily, 11 november 2008
- Xin Zhiming, 'Financial meltdown hurting Chinese farmers', China Daily, 29 oktober 2008
- Yu Hongyan, 'Household appliance sector sees tough days ahead', China Daily, 13 november 2008
- Tom Miles en Alfred Cang, 'Four Chinese steel makers cut output up to 20 pct', Reuters, 8 oktober 2008
- 'October fiscal revenue drops as slowdown bites', Xinhua, 13 november 2008
- Xin Zhiming en Wang Zhenghua, 'Wen sees worst year for growth', Shanghai Daily, 3 november 2008
- Li Qian, 'Dongguan keeps industrial growth amid crisis', China Daily, 16 november 2008
- David Tweed, 'China's Rescue Plan May Also Bolster World Economy', Bloomberg, 11 november 2008
- Moshe Adler, 'China's Greatest Export', Counterpunch, 14 november 2008
- Li Zengxin, 'Macro Review: High Time for China to Spend More', Caijing, 27 oktober 2008
- Ken De Woskin, 'Can China Attract the World's Capital?', Far Eastern Economic Review, oktober 2008