Een reportage over geldzucht, jonge vrouwen en het respect voor oma's en opa's

Ik ben thuis en ik heb heimwee naar het land waar ik net vandaan kom. "Ach, voor u het weet, staat u hier terug," zei mijn gids bij het afscheid. Ik hoop dat hij gelijk heeft. Zes dagen heb ik rondgetoerd in centraal China. Niets dan leuke en leerrijke ontmoetingen. Leest u mee?

Op 10 kilometer hoogte, ergens tussen Brussel en Wuhan, maak ik kennis met Ma Fang.
"Hi," zegt ze, "my name is Helen".
"Helen?" vraag ik, "je bent toch Chinese?"
"Ja, nee, mijn echte naam is Ma Fang, maar veel jonge Chinezen geven zichzelf een westerse naam. Ik vind het ook geen goed idee, maar het is nu eenmaal de gewoonte aan het worden."

Ma Fang werkt bij de grootste bank ter wereld, de Industrial and Commercial Bank of China. Ze vindt zichzelf een bevoorrechte werknemer. De ICBC is een staatsbank die haar personeel erg goed verzorgt. Ze vertelt dat ze in de noord-westelijke provincie Xinjiang woont. Nu komt ze terug van een groepsreis door West-Europa – zoals een Japanse toerist, lacht ze, van de ene stad, hup snel naar de andere stad, en maar foto's trekken. Om het Louvre te bezoeken kregen we welgeteld twee uur. Maar je hebt daar twee dagen voor nodig, zegt ze.

Hoe rijker, hoe beter?

Ma Fang is op weg naar een andere provincie, ten zuiden van Xinjiang. Ze gaat kijken naar haar tweede huis.
"Ik heb het gekocht zonder het gezien te hebben," zegt ze.
"Hoe kan dat?," vraag ik, "bij ons onderzoekt de koper een huis verscheidene keren van boven tot onder voor hij de koopakte tekent."
"Tja. Het is ook niet om in te wonen. Het is een belegging. We weten met zekerheid dat we het binnen een paar jaar een stuk duurder kunnen verkopen. Het heeft dan ook niet veel belang hoe het eruit ziet."

Speculatie dus. Dat beaamt ze. En ze voegt eraan toe dat ze er zelf ook mee gewrongen zit.

"De Chinezen – ik ook een beetje – zijn vooral uit op geld. Hoe rijker, hoe beter," zegt ze.
"Bij ons is dat echt niet anders hoor," antwoord ik.
"Nee, maar ik ben er niet gelukkig mee. We zijn op een paar tientallen jaren uit de armoede geklommen. Dat is natuurlijk heel goed maar nu lijkt het wel of er niks belangrijkers in het leven is dan geld verdienen. Vroeger, voor de hervormingen begonnen, waren er regelmatig campagnes om de moraal te verbeteren. We kregen in de scholen, op het werk, via de radio lessen in burgerzin, we kregen ingeprent dat we voor de mensen rondom ons moesten zorgen. Nu glijden we af naar een mentaliteit van ieder voor zich. Ik weet niet hoe we dat kunnen tegenhouden. Die campagnes van vroeger waren nogal betuttelend. Dat moeten we niet overdoen, maar het moet toch anders worden."

We have a long way to go

Ik vertel dat de ik-mentaliteit er bij ons ook heel diep inzit. Jullie komen nog maar net uit de feodaliteit en uit een landbouwmaatschappij, zeg ik haar. Duizenden jaren lang werkten de boeren alleen en met hun familie op een klein stukje grond. Dat versterkt de mentaliteit van ieder voor zich. Pas met de industrialisering worden de afzonderlijke individuen sociale wezens. Hun manier van denken verandert, maar kan pas echt sociaal worden als de economie niet meer gericht is op de winst van de individuele ondernemer zoals dat in het Westen nog altijd het geval is.

"China verandert economisch en sociaal heel snel," zegt Ma Fang, "maar de oude ideeën van de mensen veranderen veel minder snel." En ze concludeert: "We have a long way to go,... in China and in the modern world."

Ik bedenk: zie ons hier filosoferen, 10.000 meter hoog, twee mensen uit twee verschillende werelden, met twee verschillende culturen. En toch zijn we geconfronteerd met dezelfde problemen en dezelfde wetten die de maatschappelijke vooruitgang bepalen. Ma Fang draait zich opeens naar me toe en glimlacht: "You talk with your heart," zegt ze, je praat met je hart. Ik denk: dat is nu al de derde Chinese die me dat zegt. Vorig jaar in Shanghai en het jaar ervoor in Beijing. Daar zei een jonge vrouw het iets anders: "You smile with your heart." Zou dat een staande uitdrukking zijn in China?

De stad van vijfduizend werven

We naderen Wuhan, my hometown voor één week. De academische overheid van de universiteit van Wuhan in centraal China was zo vriendelijk geweest me uit te nodigen een lezing te komen geven.

Wuhan telt ruim 10 miljoen inwoners plus nog eens 2 à 3 miljoen migranten, dat zijn mensen van het platteland die tijdelijk of voor altijd naar de stad komen om er te werken. De komende dagen zullen veel Chinezen me vragen: "你从哪里来?", "Where are you from?", vanwaar kom je? Steevast zal ik antwoorden: "From Belgium, a country smaller than your city," uit België, een land dat kleiner is dan jullie stad.

Winkelwandelstraat in Wuhan.

Wuhan ligt in het centrum van China en vormt samen met de stadsagglomeratie Chongqin (35 miljoen inwoners) de brug naar het westen van het land. Wuhan heeft de voorbije jaren de bijnaam gekregen 'stad van 5.000 werven'. Dat is niet eens overdreven. De Chinezen bouwen hier bruggen, metro's, snelwegen, hoge snelheidslijnen, kantoorgebouwen, woonblokken,... Alles tegelijk en alles bijzonder snel. De bouwvakkers werken in ploegen, 24 uur op 24, 7 dagen op 7. Al dat gegraaf, geklop en gehamer is niet altijd aangenaam. 's Nachts, negentien hoog in mijn hotelkamer, hoor ik ze zonder ophouden bezig. En als ik 's morgens voor dag en dauw een wandeling wil maken in de stad, ben ik snel terug. Het heeft flink geregend en de straten liggen er vies en modderig bij. 

Eén van de mooiste uniefs ter wereld

Vandaag moet ik mijn lezing geven voor proffen en doctoraatsstudenten. Gisteravond heb ik met mijn tolk de tekst van de conferentie nog eens overlopen. Ik wil zeker geen fouten maken, zegt hij. Hij is zelf professor en spreekt perfect Frans. Ik denk niet dat hij één fout gaat maken.

Wuhan telt 43 universiteiten en hogescholen met in totaal een miljoen studenten. De National Wuhan University die mij uitnodigde, heeft 50.000 studenten en 5.000 professoren en is de tweede grootste van de stad. Ze is 120 jaar oud en staat bekend om haar hoog academisch niveau.

Op één van de mooiste campussen ter wereld.

De unief heeft ook de naam één van de mooiste ter wereld te zijn. De campus is 200 hectare groot en ligt tegen het East Lake aan, een meer van 35 vierkante kilometer. Honderden hoveniers en tuinmannen verzorgen de bomen, de bloemen, de planten en de grasperken. Temidden van al dat kleurrijks staan prachtige gebouwen, meestal in oude stijl. Ze symboliseren de schakel tussen het rijke verleden van China en de nieuwe wetenschap. De combinatie van het vele groen en de mooie gebouwen maakt de campus tot een toeristische trekpleister.

Je komt hier net te laat aan, zegt m'n gids. In de maand april, als alles in bloei staat, is de universiteit op zijn mooist. Maar ik vind het hier in de maand mei ook aangenaam toeven.

Leren toosten

Na de conferentie wordt het leuk. De dekaan van de faculteit Politieke Wetenschappen heeft een aantal proffen en mij uitgenodigd voor een diner. Daar leer ik toosten met Chinese jenever van 38 graden alcohol. De eerste keer staan we allemaal recht: op de vriendschap tussen het Chinese en Belgische volk, zegt de dekaan. Dan ondervind ik dat je voor de rest van de maaltijd nooit alleen drinkt. Je moet telkens je buurman, of je twee buurmannen, of je overbuurman, of iedereen uitnodigen om mee te drinken. En altijd met een of andere heilwens. We drinken op de geslaagde conferentie, op de universiteit, op de toekomst, op onze vriendschap, op de jongeren – dat ze goed studeren en zich dan inzetten voor de mensen, op mijn vrouw die thuis eenzaam op me wacht, op mij – dat ik snel zou terugkeren naar hun mooie stad... Het ritme van de heildronken ligt hoog maar ik merk dat ik er met mijn omvangrijk lijf beter tegen kan dan de magere Chinezen. Enfin, ik hoop dat deze proffen seffens niet nog moeten lesgeven.

Het buitenland is kleiner 

De dekaan heeft me aangeboden op kosten van de universiteit een kleine week rond te toeren in Wuhan en wijde omgeving. "Zo leer je China beter kennen," zegt hij. Ik krijg een chauffeur, een gids en een tolk mee. Er is natuurlijk ook tijd voor gesprekken en discussies met een aantal proffen. Ik merk hoe de financieel-economische crisis in het Westen en de wijze waarop China de crisis in eigen land heeft weten te voorkomen, hen zelfvertrouwen geeft. De meeste proffen zijn vriendelijk voor Europa maar ze vertrouwen de Verenigde Staten voor geen cent. "De Amerikanen willen hun ideologie opleggen. Het lijkt wel of ze niet graag hebben dat China zich ontwikkelt en zo aan hun controle ontsnapt," zeggen ze.

Het valt me ook op dat ze niet zo heel veel weten van het buitenland. Niemand kan bijvoorbeeld de vijf Centraal-Aziatische republieken opsommen; drie van de vijf zijn nochtans buurlanden. China is bijzonder groot: van noord naar zuid en van oost naar west telkens bijna 5.000 kilometer. Het buitenland is voor China een heel stuk kleiner dan voor ons. De Chinezen zijn bovendien vijfhonderd jaar lang gericht geweest op zichzelf. Misschien is dat wel de voornaamste oorzaak van de matige interesse voor het buitenland.

Met de hak, in de schaduw van de hoge snelheidstrein 

Ons eerste toeristische bezoek is aan de Drieklovendam. We moeten daarvoor 300 kilometer verder. Onderweg zie ik hoe de streek armer is dan die rond de twee grootste steden van China, Beijing en Shanghai. Op de kleine akkers werken telkens vier of vijf mensen met de hak. Overal zie ik ook buffels op de velden. Nauwelijks vijftig kilometer buiten Wuhan, en je merkt al hoe verschillend het niveau van ontwikkeling is, niet alleen tussen stad en platteland, maar ook tussen de verschillende regio's.

Groot contrast tussen stad en platteland.

Zelfs op het veld zie je felle contrasten. Zoals de boer en zijn familie die met de hak de grond omslaan terwijl nog geen dertig meter van hen vandaan arbeiders met moderne machines een hogesnelheidslijn aanleggen. Hier komt de snelste trein ter wereld, 30 kilometer per uur sneller dan de HST's in West-Europa. Het is onvoorstelbaar aan welk ritme die lijnen in heel China aangelegd worden. Binnen de vijf jaar zal een spinnenweb van hoge snelheidslijnen klaar zijn dat de meeste grote steden in dit immense land met elkaar verbindt en het tussenliggende platteland meetrekt in de economische en sociale ontwikkeling.

40.000 bouwvakkers aan één project

Onderweg moeten we tanken. Aan 6,30 yuan per liter. Dat is iets meer dan een halve euro. Ongeveer één derde van de prijs in West-Europa.

Deze keer is het bezoek aan de Drieklovendam in Yichang uitgebreider dan bij mijn eerste bezoek, twee jaar geleden. Met een groep binnenlandse toeristen stappen we in een bus die twee uur lang de hele site van de dam aandoet. Telkens krijgen we omstandig uitleg. Mijn tolk probeert te volgen. Ik onthou dat de droom om dit project te bouwen al een paar eeuwen oud is. De mensen wilden een oplossing voor de steeds weerkerende overstromingen van de Yangtze, de grootste stroom in Azië. Om de paar jaar zette de Yangtze hele dorpen en steden onder water. In 1935 en 1954 kwamen daarbij telkens 30.000 mensen om het leven. De oplossing was het bouwen van een reeks dammen en de creatie van kunstmatige meren.

De werf van de grootste dam ter wereld zes jaar geleden.

De bouw van de grootste dam begon in 1994. Vijftien jaar later was ze gereed. Ze is 185 meter hoog en 2,3 kilometer lang. In de buik van de dam zit een 30-tal generatoren die samen de grootste waterkrachtcentrale ter wereld vormen. Het stroomlijnen van de Yangtze inclusief dammen en sluizen maakte 660 kilometer waterweg bevaarbaar voor schepen van meer dan 10.000 ton om stroomopwaarts de reuze-stad Chongqing te bereiken.

De dam zoals hij er nu bijligt.

Ik zie hoe fier de Chinezen zijn op dit werkstuk. Op het hoogtepunt van de bouw waren er 40.000 bouwvakkers in de weer. Het is inderdaad een technisch en organisatorisch huzarenstuk om dit gereed te krijgen.

365 bouillons

's Avonds mag ik nog maar eens aanschuiven aan een feestelijke dis. Deze keer eten we in restaurant 'De 365 bouillons', zo genoemd omdat er 365 bouillons op de menukaart staan – die eerder een boek dan een kaart is –, een bouillon voor iedere dag van het jaar.

Een Chinese bouillon is niet hetzelfde als een Europese. In China houdt een bouillon het midden tussen soep en pap. Je kan hem niet drinken, je moet hem eten met een lepel. De basis van de bouillon is rijst. Daar worden allerlei ingrediënten aan toegevoegd. Zo heb je bouillon met bloemen, met groene boontjes, met ajuin, met honing, met lychee, met vis, met vlees...

M'n gastheren bestellen voor ieder van ons maar meteen drie bouillons: een eerste met eend en paddestoel, een tweede met varkensvlees en vis en een derde, licht gesuikerd, met lychee.

Als je zo drie kommen binnen hebt, heb je al genoeg gegeten, maar dat is buiten de Chinese koks gerekend. Na de bouillons volgt eeen reeks schotels: eentje met schildpad en zwaluwtongen, eentje met wortels van waterplanten – ze zien eruit als aardappeltjes, eentje met wilde eend die magerder en gezonder is dan de bekende Pekingse eend, een schotel met garnalen, eentje met een mij onbekende vis, eentje met schaap, eentje met salade met bamboe. Daar drinken we een paar flessen Grande Muraille bij, een rode wijn van druivenranken, ingevoerd uit het zuiden van Frankrijk. Als afsluiter volgt fruit.

Het zijn allemaal kleurrijke schotels en ook de tafel oogt in harmonie. Ik zie met plezier dat zelfs de Chinezen moeite hebben om die kleine aardappeltjes tussen hun eetstokjes gevangen te houden.

Alles wat ik heb, heb ik van een ander

Bij het begin van de maaltijd vraagt een serveuse of ik mes en vork wil. Dat voorstel wijs ik licht verontwaardigd van de hand. De jonge vrouw wijkt geen twee meter van onze tafel. Mijn gastheren hebben haar gezegd dat ik de belangrijkste persoon aan tafel ben. Als mijn glas nog maar half leeg is of als ik even pauzeer, staat ze naast me om bij te vullen of om me aan te moedigen deze of die schotel nog eens te proberen. En altijd met een glimlach die de meest slechtgezinde mens vrolijk maakt.

We zitten zoals altijd in een aparte kamer van het restaurant. Aan alle muren hangen tekeningen in Chinese inkt. Eentje trekt mijn aandacht. Ze stelt een jongen voor die met beide handen thee aanbiedt aan zijn grootvader. De jongen is een en al nederigheid. Dat respect is gebaseerd op de overtuiging dat het kind alles gekregen heeft van de ouderen. "Wij hebben niets van onszelf; alles wat wij hebben, hebben wij van een ander," zegt mijn tolk. (Hij heeft in Parijs gestudeerd en kent de dichter Aragon blijkbaar uit het hoofd.) Ook wat het kind van de ouders gekregen heeft komt onrechtstreeks van de ouderen. Daarmee wordt niet zozeer het materiële bedoeld, dan wel de cultuur, de zeden, de kennis die we in onze genen hebben. Thuis in België hangt een ietwat gelijke tekening van een jong meisje. Ik moet er opeens aan denken.

Jonger dan je denkt

De mooie serveuse lijkt bijzonder jong. "Is het normaal dat meisjes van 15 jaar opdienen in de restaurants?", vraag ik een beetje bijtend – daarbij nogal schijnheilig vergetend dat mijn eigen twee dochters ook gingen opdienen toen ze 16 jaar waren. Mijn gids kijkt me verbaasd aan. Hij roept er meteen de dienster bij. Ik zeg hem: "Je gaat toch niet vragen hoe oud ze is? Is dat niet onbeleefd?" Hij lacht mijn opmerking weg. "Ik ben 23 jaar," zegt de dienster.

Later die avond trakteren mijn gastheren me op een voetmassage. De masseuse is een praatgraag. Ze vertelt dat ze uit een bosrijk gebied komt en dat ze vanaf haar tiende op vrije schooldagen mee het bos in moest om bussels takken naar huis te sleuren. Net als haar jongere zus is ze naar Wuhan gekomen om daaraan te ontsnappen. Ze heeft een opleiding gevolgd en "nu ben ik zelfstandig!", straalt ze. Ik schat haar een stuk beneden de 20. Ze schaterlacht. "Neen hoor, ik ben 28 jaar," zegt ze.

Hoe komt dat?, vraag ik aan mijn tolk, dat de Chinese vrouwen er zo jong uit zien. Een kwestie van voeding, antwoordt hij. Wij eten 's morgens, 's middags en 's avons veel groenten. Groenten en fruit houden de huid jong. Onze voeding is ook heel verscheiden en evenwichtig. Bij ons is een maaltijd zelden uit balans. Ik denk dat jullie in het westen teveel eten en zeker teveel vlees.

Als ik een paar dagen later terug naar huis vlieg, neem ik de proef op de som. We vliegen 's nachts. Ik kan niet slapen, dus begin ik een praatje met een stewardess. Na een halfuurtje durf ik haar vragen hoe oud ze is. Ze lijkt me geen 20 jaar. "Dankewel voor het compliment!', lacht ze, "maar ik ben 27 jaar." Als ik uitstap zegt ze me: "I'm gonna miss you today". Jaja. 

Weinig vrouwelijke chauffeurs 

Mao Zedong zei dat de vrouwen de helft van de hemel op hun schouders dragen. Een schromelijke onderschatting, als u het mij vraagt. Ondanks Mao en ondanks hun schoonheid, kracht en wijsheid, zijn de Chinese vrouwen wel voor de wet gelijk aan de man, maar toch niet in praktijk. Ook hier, zou Ma Fang zeggen, is er nog "a long way to go". De oude patriarchale ideeën leven nog. Eeuwenlang mocht de vrouw niet eens samen met haar man eten. Eerst at de man en pas daarna de vrouw en de kinderen. De sporen daarvan zie je nu nog. Natuurlijk eten ze nu samen, maar bij de mannen leeft toch een zeker superioriteitsgevoel. Je ziet dat onder meer in het verkeer. Geen vijf procent van de Chinese chauffeurs is vrouwelijk, zo bereken ik. Achten de mannen hen te min?

De heren van de schepping zijn ook helemaal niet vriendelijk tegenover de vrouwen die hen in een restaurant bedienen. 谢谢!, Dank u!, is er nooit bij. Op het vliegtuig zag ik dezelfde houding. Sommige Chinese reizigers wanen zich keizers. Na de vierde rondgang met een drankje, zegt de Chinees naast me: "Hebt u gemerkt dat u een vol bekertje krijgt en wij nauwelijks een half?" Ik antwoord: "Als u seffens naar de stewardess glimlacht en 谢谢!zegt, krijgt u de volgende keer ook een vol bekertje."

Periode van ongelijke ontwikkeling

Voor mijn laatste avond in Wuhan hebben mijn gastheren een boottocht georganiseerd op de Yangtze. We zitten met zo'n tweehonderd mensen op een dubbeldekse passagiersboot. Op het benedendek staan grote tafels opgesteld met 15 of 20 grote schotels. Jonge koppels, jonge ouders met hun kinderen, grootouders,... iedereen schuift aan. Ik moet hen bekijken. Eeuwenlang bleef de sociale toestand voor deze mensen ongewijzigd. Vijftig jaar geleden was China nog één van de armste landen ter wereld en zouden deze mensen, of toch alleszins de meeste van hen, honger geleden hebben. Het is moeilijk te vatten, nu de boot de Yangtze opvaart.

De machtige Yangtze in Wuhan.

"Zijn hier ook boeren en migranten?", vraag ik aan mijn gids. Nee, zegt hij, nog niet. We moeten eerst door een periode van ongelijke ontwikkeling. Dat is niet te vermijden nu we zo snel vooruit gaan. Als je binnen een jaar of vijf terugkomt op deze boot, zal je wel ex-boeren ontmoeten en migranten die dan stadsbewoners geworden zijn. Dat is dialectiek, zegt hij. Je moet eerst een zekere ongelijkheid verdragen om de ongelijkheid te kunnen uitschakelen. Hij glimlacht. Ik verdenk hem ervan dat hij denkt: dat snapt die westerling toch niet.

Het raadsel van een minister-president

Na het eten verhuizen we naar het bovendek. Het is een mooie zomeravond. Links en rechts van de Yangtze zie ik grote woonwijken en kantoorblokken. Net zoals ik ze gezien heb in Shanghai, Beijing, Chongqing, Tianjin.... Dezelfde structuren, dezelfde lijn van ontwikkeling. Bij mijn thuiskomst zal ik een interview lezen met Kris Peeters, de Vlaamse minister-president die een paar dagen na mij China bezoekt. Ik onderstreep een citaat van Peeters in de krant De Tijd: "‘De snelheid waarmee hier alles gebeurt en de traagheid waarmee wij in België en ook in Vlaanderen worden geconfronteerd, is ongelooflijk’, zegt Peeters. ‘Het is voor mezelf nog te vroeg om een antwoord te geven op de vraag hoe dit Chinese wonder mogelijk is’, geeft Peeters toe. China is een eenpartijstaat, geleid door de Communistische Partij. ‘Het is indrukwekkend wat met de nodige centrale sturing kan worden gerealiseerd.’"

Het belangrijkste verschil tussen het Chinese wonder, zoals de minister-president dat noemt en het geklungel hier is natuurlijk niet de centrale planning maar de inhoud van de politiek. Acht jaar geleden zei de Chinese president dat zijn beleid gebaseerd is op: 'eerst de mensen'. Dat is in het westen toch wel anders...

Het is avond geworden op de Yangtze. Ik denk terug aan het gesprek met twee studentes daarstraks. "Waarom bent u zo geïnteresseerd in ons land?" vragen ze. "Omdat China de toekomst is," antwoord ik. "Nergens gaat de geschiedenis zo snel vooruit als hier. Ik zie dat dat een goeie zaak is voor het Chinese volk en snel zal blijken dat het ook een goeie zaak is voor de wereld."

Bovenstaande is geschreven door Peter Franssen, redacteur van www.infochina.be op 3 juni 2010.