Washington ziet Tibet als een pion op het internationale schaakbord, als een onderdeel van de strategie om China terug te dringen. De gebeurtenissen in Tibet in maart 2008 kunnen niet correct geïnterpreteerd worden als men daaraan voorbijgaat.
Op het einde van de Tweede Wereldoorlog veranderde het effectieve bondgenootschap tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie snel in een confrontatiepolitiek die Koude Oorlog genoemd wordt. Het begin van de Koude Oorlog valt samen met de doctrine van president Truman zoals die in maart 1947 geformuleerd werd. Het Nieuwe China werd in oktober 1949 geboren. De Verenigde Staten probeerden de boreling niet levensvatbaar te maken door Kuomintang-leider Jiang Kai-shek te steunen. In de jaren '50 en '60 probeerden de VS via Jiang Kai-shek het China moeilijk te maken langs de oostkust. Aan de andere kant van het land diende Tibet datzelfde doel. De kwestie-Tibet werd een onderdeel van de kruistocht van de Amerikanen tegen China. In 1947 begon de separatistische kliek in Tibet op het hoogste niveau te spreken over "internationale erkenning". Er werden missies naar India, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten gestuurd in een poging de "internationale gemeenschap" te winnen voor "internationale erkenning". Ondertussen ontwikkelden de Verenigde Staten hun globale strategie van strijd tegen de communisten en tegen de Sovjet-Unie. De VS hadden echter China nodig in hun anti-Sovjet strategie. Daarom gingen de VS niet de confrontatie met China aan over de controle over Tibet. Tegelijkertijd wilden de Amerikanen het de Chinezen toch moeilijk maken. Het resultaat van die tegenstelling was een Tibet-politiek tussen hamer en aambeeld. Na 1948 verleende het Amerikaanse consulaat in Hong Kong, zonder daarin de Chinese regering te kennen, visa's aan "Tibetaanse handelsmissies". De VS lieten dus activiteiten toe die pasten in het onafhankelijkheidsstreven. De Amerikaanse media bereidden hun publieke opinie voor op de erkenning van Tibet als een onafhankelijk land. In juni 1950 brak de oorlog tegen Korea uit. De Amerikanen probeerden China terug te dringen en te doen afzien van steun aan Korea door het opstarten van een sluipende oorlog in Tibet. Tibetaanse separatisten kregen van Washington wapens. In 1951 overtuigde de CIA de Dalai Lama ervan China te ontvluchten. In 1956 beloofden CIA-agenten aan Tibetaanse separatisten de "Tibetaanse onafhankelijkheid" te steunen. In maart 1959 lag de CIA mee aan de basis van een gewapende opstand van separatisten. De Amerikanen probeerden een heus leger op de been te brengen van separatisten en vanuit India gewapende aanvallen te doen op grensposten aan de Chinese kant. Na de opstand van 1959 zetten de CIA, het Amerikaanse ministerie van Defensie en de Nationale Veiligheidsraad een orgaan op dat de Tibet-politiek moest coördineren. Dat orgaan van inmenging in de binnenlandse aangelegenheden stond onder leiding van de CIA. De Amerikaanse geheime dienst bezorgde de separatisten wapens, zorgde voor militaire training en organiseerde luchtdroppings van allerlei materiaal. In de jaren 1970 en 1980 wilden de Verenigde Staten de Chinees-Amerikaanse relaties verbeteren met het doel China te gebruiken als tegengewicht voor de Sovjet-Unie. De Amerikaanse regering schroefde de hulp aan de Dalai-kliek terug, na het bezoek van president Nixon aan China in 1972. De Dalai-kliek verloor voor het Westen veel van zijn waarde. De Dalai Lama en zijn kliek werden wezen van de Koude Oorlog. In de latere jaren 1970 veranderde de Dalai Lama noodgedwongen van tactiek. Hij reikte een vredeshand uit naar de centrale regering. Er kwamen contacten, een dialoog werd opgestart. In maart 1980 zei de Dalai Lama dat China een prachtig land is en dat de Tibetanen geen betere keuze hebben dan samen te werken met de Han Chinezen. Hij zei dat communisme en bouddhisme eenzelfde basis hebben. En als de Tibetaanse bevolking gelukkig is, zei hij, kon hij de idee van "Tibetaanse onafhankelijkheid" laten varen. In 1989 viel de Sovjet-Unie uiteen. De Koude Oorlog was voorbij. Maar voor de Verenigde Staten werd China nu de grootste uitdaging voor de Amerikaanse wereldhegemonie. Het terugdringen van China en het vertragen van diens groei op het internationale toneel werd het hoofddoel van de Amerikaanse China-politiek. De Tibet-kwestie werd weer actueel, Tibet werd weer een geschikt middel om China te verzwakken. De Dalai Lama en de Verenigde Staten stonden opnieuw op één lijn. Anti-Chinese krachten in het Westen geven de Dalai Lama nu weer veel steun. De Dalai Lama maakt een onbeperkt aantal reizen waarbij hij zich voorstelt als "de Tibetaanse religieuze leider", "verdediger van de vrede", "activist voor de mensenrechten". Hij is in de ogen van anti-Chinese kringen in het Westen de belichaming van de "Tibetaanse onafhankelijkheid". In 1992 pleitte de Dalai Lama voor de oprichting van een "Aziatisch democratische gemeenschap" en vroeg hij in het openbaar dat Tibet, en de Autonome Regio's Xinjiang en Binnen Mongolië door de "internationale gemeenschap" behandeld zouden worden als "onafhankelijke staten". Hij voegde eraan toe dat Tibet binnen de 10 jaar onafhankelijk zou zijn en dat China zonder twijfel de weg zou opgaan van de Sovjet-Unie. Sindsdien heeft de Dalai Lama geijverd voor de internationalisering van de kwestie-Tibet. In 2006 beloonde het Amerikaanse Congres hem met een hoge onderscheiding. Na de onlusten van maart in Lhasa in 2008 ging de Amerikaanse kamervoorzitter Nancy Pelosi bij de Dalai Lama op bezoek in Dharamsala als blijk van steun aan diens separatistische kliek.
Dit artikel verscheen op 6 mei 2008 in de Chinese editie van de Renmin Ribao. De auteur Zhang Zhirong is onderzoeker aan de Universiteit van Beijing.