Chinese economie zet goed resultaat neer in 2009

De internationale economie kreeg vorig jaar de meest scherpe recessie sinds 1930 over zich heen. Dat was ook voelbaar in China, waar de uitvoer met 16 procent naar beneden donderde. Toch groeide de economie met 8,7 procent. De belangrijkste factoren daarvan waren de investeringen en het inkomen van de gewone man. De groei maakt China tot de sterkste motor van de wereldeconomie.

De Chinese economie kende het afgelopen jaar een trage start. In het eerste kwartaal van 2009 bedroeg de groei 6,2 procent tegenover het eerste kwartaal van 2008. Nadien kon deze groei genoteerd worden: tweede kwartaal: +7,9 procent, derde kwartaal: +9,1 procent en vierde kwartaal: +10,7 procent, om op een jaartotaal uit te komen van 8,7 procent. Ter vergelijking: in de 27 landen van de euro-zone daalde de economische productie met 4,1 procent.

De terugval van de Chinese uitvoer had een effect van 3 punten: mocht de uitvoer van gelijke omvang gebleven zijn als in 2008, dan zou de economische groei 11,7 procent geweest zijn. Dit jaar zal de uitvoer naar verwachting een nul-groei kennen ten opzichte van 2009. Het negatieve effect op het totaalresultaat zal wegvallen, tenzij de economie in de Verenigde Staten en Europa sneller dan verwacht in een tweede recessiegolf valt.

Landbouw

De landbouwproductie groeide in 2009 aan met 4,2 procent. De landbouweconomie maakt 10,5 procent uit van wat in het hele land aan goederen en diensten geproduceerd wordt. Naarmate China zich ontwikkelt, groeien industrie en diensten ten nadele van het aandeel van de landbouw in de economie. Dit jaar zal het aandeel van de landbouw voor het eerst in de geschiedenis onder de 10 procent vallen. In 1980 was dat aandeel nog 30 procent. Dat neemt niet weg dat de landbouwproductie eveneens constant groeit en ruim voldoende is om de bevolking te voeden. Vorig jaar oogstten de Chinezen 530,8 miljoen ton graan. In 1980 was dat 320 miljoen ton graan.

Industrie

De industrie groeide in 2009 met 9,5 procent. De sector kende in het derde en vierde kwartaal een sterk herstel met een groei van respectievelijk 12,4 en 18,0 procent.
Het afgelopen jaar groeide de industrie in centraal en west China sneller dan in het oosten van het land. De twee minder ontwikkelde delen van China verkleinen hun achterstand. In het oosten groeide de industrie met 9,7 procent, in centraal China met 12,1 procent en in west China met 15,5 procent.

Winsten

De centrale staatsondernemingen en staatsholdings maakten vorig jaar een winst van 797 miljard yuan (80 miljard euro). Een stijging van 14,6 procent ten opzichte van 2008 maar toch nog laag in vergelijking met de prestaties van grote ondernemingen in het Westen in periodes dat de economie goed draait. Ten opzichte van tien jaar geleden is de rentabiliteit van de centrale staatsondernemingen sterk toegenomen waardoor ze ook daadwerkelijk op de commandoposten van de economie staan. Maar hun relatief lage winstcijfer toont toch hoe deze ondernemingen nog altijd weinig efficiënt draaien en hoe management, opleiding van het personeel, technologie en arbeidsproductiviteit achterop hinken ten opzichte van grote ondernemingen en holdings in de ontwikkelde economieën. Zo komt het dat de Chinese staatsondernemingen een veel lagere verhouding van winst ten opzichte van omzet boeken dan de Westerse kapitalistische ondernemingen uit dezelfde sleutelsectoren. De winstcijfers zouden omhoog moeten zodat de ondernemingen meer kunnen spenderen aan research en ontwikkeling om bij de kopgroep te horen van de nakende technologische grote sprong voorwaarts op wereldvlak. Meer winsten betekent ook dat deze ondernemingen meer kunnen bijdragen aan de overheid en de sociale zekerheid.

Overcapaciteit

Een tweede zwakte van de Chinese industrie is de overcapaciteit. Van alle geproduceerde goederen werd vorig jaar 97,7 procent ook daadwerkelijk verkocht. Dat is uitstekend, maar het cijfer kan niet verbergen dat verscheidene economische sectoren een grote onbenutte productiecapaciteit hebben. Dat is het geval voor de staalindustrie (die één zesde minder produceert dan wat de huidige installaties mogelijk maken), de cementindustrie (een vijfde ongebruikt), de productie van elektriciteit uit windmolens (vijftig procent onder de geïnstalleerde capaciteit), de productie van basismateriaal voor zonnepanelen (minstens vijftig procent onbenut).

De overcapaciteit toont dat de Chinese politieke economie op dit ogenblik in verscheidene sectoren niet in staat is de spontane marktevolutie in de bedding van de centrale planning te dwingen. Dat geldt voor de werking van de privé-economie maar ook voor de economie in staatsbezit. Met andere woorden: de markt is vandaag op bepaalde terreinen sterker dan de planeconomie. Het lijkt het logische resultaat als je de privé-economie teveel speelruimte geeft en als je de autonomie van de staatsondernemingen niet strikt ondergeschikt maakt aan de centrale planning. Je zou politiek kunnen stellen dat de Communistische Partij het regulerend karakter van de marktwerking overschat heeft. Wellicht is dit deels onvermijdelijk in deze fase van ontwikkeling, nu de economie zo exponentieel groeit. Toch gaan er binnen de regering en de top van de Communistische Partij steeds indringender stemmen op voor een versterking van de macro-economie zodat de markt daadwerkelijk ingebed wordt in het plan.

Investeringen

In 2009 waren de investeringen de belangrijkste motor van de economische groei. Die stegen met 30 procent ten opzichte van 2008. Toen groeiden de investeringen ook al met 25 procent. In de steden stegen de investeringen met 31 procent en op het platteland met 27 procent. De investeringen in het spoorwegnet stegen in 2009 met 67 procent, in de wegenbouw met 40 procent, in het openbaar stadsvervoer met 60 procent. De investeringen in het onderwijs groeiden met 37 procent en die in de sociale zekerheid en de gezondheidszorg met 60 procent. Allemaal fenomenale cijfers die tonen hoe China de sociale en verkeersinfrastructuur aan een ontzettend hoog ritme uitbouwt. Ook op vlak van investeringen zien we een inhaaloperatie van de achtergebleven gebieden: de investeringen in het oosten van het land stegen met 24 procent, in het westen met 35 procent en in centraal-China met 36 procent.

De investeringen worden gevoed door het stimulus-plan dat de regering in november 2008 aankondigde en dat zal doorlopen tot einde dit jaar. De investeringen krijgen ook een duw opwaarts door de monetaire politiek van de regering die lenen door de lagere overheid en de ondernemingen gemakkelijker en minder duur maakt. Het positief neveneffect is dat de banksector die nog altijd onderontwikkeld is, de kredietafdelingen beter kan uitbouwen.

Alhoewel infrastructuur de basisvoorwaarde is voor een moderne economie, toch kan het huidige economische patroon waarbij de investeringen de belangrijkste stimulans van de groei zijn niet gehandhaafd blijven. Men kan niet ten eeuwige dage wegen, spoorwegen, metro's, scholen en ziekenhuizen blijven bouwen aan het ontzaglijke ritme van vandaag. In de landen met een moderne economie is de consumptie van de burgers de motor van de economie. Dat zal in China ook gebeuren: geleidelijk aan zal de consumptie de rol overnemen van de investeringen als voornaamste motor van de economie.

Privé consumptie en inkomen

De consumptie, de tweede motor van de economische groei, won vorig jaar aan kracht. De verkoop van consumptiegoederen steeg in 2009 met 16,9 procent. Dat is 2,1 procent hoger dan in 2008. De verkoop van voeding steeg met 14 procent, die van kleren en schoenen met 19 procent, die van huishoudtoestellen met 12 procent, die van meubels met 35 procent. De verkoop van auto's steeg tot 13,6 miljoen, een groei van 32 procent. Voor het eerst in de geschiedenis werden er in China meer auto's verkocht dan in eender welk ander land. De snelle toename van de autoverkoop in China betekende voor de Amerikaanse, Europese, Japanse en Zuid-Koreaanse automerken de reddingsboei. Zonder China zou de crisis in de automobielsector nog veel erger zijn. Dat geldt trouwens voor de hele economie: zonder de sterke groei in China, zou de economie in de Verenigde Staten en West-Europa nog in een diepere put zitten dan nu al het geval is.

De groei van de privé-consumptie in China is een gevolg van de overheidspolitiek om van deze economische sector op termijn de belangrijkste motor van de economische groei te maken. Dat past ook in het kader van het project van de Communistische Partij dat een harmonieuze maatschappij beoogt met een relatief goed uitgebouwde welvaart en een goed welzijn. Dat is geen simpel project want de economische productie per hoofd van de bevolking ligt in China nog altijd zes à zeven keer lager dan in de Verenigde Staten. China is daarom nog altijd een ontwikkelingsland. Toch moet de privé-consumptie nog meer gestimuleerd worden om dat maatschappijmodel te kunnen realiseren en om de hoge economische groei te kunnen volhouden.

De toename van de privé-consumptie is natuurlijk gelieerd aan de toename van het inkomen. De groei van het inkomen in China is tegengesteld aan de inkomensstop en de inkomensafbouw in de Verenigde Staten en Europa. Het beschikbaar inkomen van de gemiddelde Chinese stedeling groeide vorig jaar netto met 9,8 procent. Het beschikbaar inkomen van de gemiddelde plattelandsbewoner steeg met netto 8,5 procent. Beide inkomens gaan fors vooruit maar de inkomenskloof tussen stedeling en plattelandsbewoner blijft toenemen. De inkomensverhouding is nu 3,33:1. Dat wil zeggen: het inkomen van de gemiddelde stedeling ligt 3,33 keer hoger dan dat van de gemiddelde plattelandsbewoner. In 2008 was die verhouding 3,31 en in 1978 2,56. De toename van de kloof is één van de moeilijkste problemen van de overheid. Sommigen zeggen dat het een luxe probleem is want als de economie zowel in de stad als op het platteland niet zo snel zou gegroeid zijn als de voorbije 30 jaar, dan zou je een veel minder diepe kloof hebben. Toch is de inkomenskloof een bron van wrevel en onrust. De maatregelen die de overheid genomen heeft om het inkomen op het platteland sneller te doen groeien – zoals de afschaffing van de landbouwbelastingen en het verhogen van de eerste onbelaste schijf van het inkomen – zijn onvoldoende gebleken. De regering belooft nog meer maatregelen maar het ziet er toch steeds meer naar uit dat alleen de verstedelijking en het wegtrekken van nog eens 200 miljoen boeren uit de landbouw – zonder de landbouwproductie te laten dalen – een oplossing kunnen brengen voor dit probleem. Er zijn nu 150 miljoen boeren-migranten: landbouwers die de akker achter zich lieten en in de industrie en de dienstensector rond de steden gingen werken. Nog eens 100 miljoen boeren werken in industriële en dienstenondernemingen op het platteland zelf. De toename van die aantallen zal de komende jaren en decennia de voorwaarde zijn om van China een land te maken met een moderne en technologisch hoogstaande landbouw, industrie en dienstensector in een harmonieuze samenleving.

 

Dit artikel is geschreven door Peter Franssen, redacteur van www.infochina.be op 26 januari 2010.