(Dit is de eerste aflevering van een dossier. De verwijzing naar de andere delen vind je onderaan dit artikel.)
Vanaf het begin van de jaren '90 kon China de explosieve economische groei niet volhouden zonder hulp van het buitenland. De snelle uitbreiding van de economie vereiste een constante stroom van grondstoffen die China zelf niet voor de volle 100 procent uit eigen bodem en zee halen kon.
Het land was op dat ogenblik al aardig op weg de grootste consument ter wereld te worden van aluminium, koper, lood, nikkel, tin, zink, ijzererts, palmolie, katoen, rubber, staal... De voorbije twintig jaar is het verbruik van metalen in China gestegen met gemiddeld 17 procent per jaar. Om de toestroom daarvan te kunnen volhouden, moest China naar Azië, Afrika en Latijns-Amerika.
De honger naar grondstoffen zal niet direct gestild zijn. China wil de komende twee decennia een blijvende economische groei realiseren van gemiddeld 8 procent per jaar. Alleen al de massale volksverhuizing van het platteland naar de stad vereist een economie die op volle toeren draait. Vandaag woont bijna één Chinees op twee in de stad. Het zijn er 200 miljoen meer dan tien jaar geleden. De komende 15 jaar zullen naar verwachting nog eens 310 miljoen plattelandsbewoners naar de stad verhuizen. Dat is meer dan de hele bevolking van de Verenigde Staten. Tegen het jaar 2025 zal China 15 steden van elk meer dan 25 miljoen inwoners tellen, 22 steden van elk meer dan 10 miljoen inwoners en 23 steden van elk meer dan 5 miljoen inwoners. Twee derde van de bevolking, ruim een miljard mensen, zal dan in de stad wonen. Voor deze honderden miljoenen nieuwe stadsbewoners zijn straten nodig, pleinen, metrolijnen, spoorwegen, water- en elektriciteitsnetten, scholen, ziekenhuizen, grootwarenhuizen, honderdduizenden woonblokken en 50.000 wolkenkrabbers van minstens 30 verdiepingen. Ook een immens land als China is niet in staat al het nodige materiaal voor deze revolutie op zijn eentje te leveren. Het zal daarvoor op alle continenten contracten van lange duur afsluiten.
China had in het begin van de jaren '90 (en nu nog altijd) niet alleen grondstoffen nodig maar ook kapitaal om ondernemingen op te richten en miljoenen mensen aan werk te helpen. Het had managementtechnieken nodig want tot dan was het grotendeels een landbouwland. Waar zou de kennis vandaan komen om een moderne industrie te leiden?
Het land had ook moderne technologie nodig omdat het niet een arbeidsproductiviteit wilde die pakweg 100 jaar achter lag op die in de moderne industrielanden.
Het had ook markten nodig buiten China om er zijn massaproductie te verkopen en zo het kapitaal binnen te halen om de economie zuurstof te geven.
Kortom: China moest naar buiten en de deuren moesten open om het buitenland binnen te laten.
De wijze raad van Deng
Op dat ogenblik was Deng Xiaoping 90 jaar. Blijkbaar nog niet te oud om een gedragscode voor te stellen voor de omgang met het buitenland. De code telt 28 Chinese lettertekens en is onderverdeeld in zeven raadgevingen: 1) lengjing guancha: analyseer de ontwikkelingen op een kalme manier; 2) chenzhuo yingfu: ga met vertrouwen en op een geduldige manier om met veranderingen; 3) whenzu zhenjiao: beveilig onze eigen positie; 4) taoguang yanghui: loop niet te koop met wat wij kunnen en plaats uzelf niet in de spotlights; 5) shanyu shouzhuo: hou een low profile aan; 6) juebu dangtou: eis nooit het leiderschap op; 7) yosuo zuowei: streef verwezenlijkingen na.
Deze opvattingen zijn vooral van toepassing in de verhouding tot de Verenigde Staten. China was ervan overtuigd dat de verhouding tot de VS de belangrijkste zou worden. Dat land heeft de grootste economie, de grootste politieke macht en het sterkste leger ter wereld. De Amerikanen wegen ook als een dood gewicht op de ontwikkelingslanden. De Amerikaanse invloed was in het begin van de jaren '90 zo groot dat slechts weinig landen het aandurfden geen rekening te houden met de Amerikaanse wensen. Nu China, een land met haast één vijfde van de wereldbevolking, naar voor trad, kon het niet anders of de verhoudingen in de wereld zouden veranderen.
Op het ogenblik dat China de deur openzette voor het buitenland en zelf naar het buitenland trok, was de Berlijnse Muur gevallen en de Sovjet-Unie onder het beleid van Gorbatsjov uit elkaar gespat. De Verenigde Staten waanden zich heer en meester. Ze proclameerden de unipolariteit en zegden dat multipolariteit – democratie in de verhouding tussen staten – een slecht ding was. Multipolariteit is verfoeilijk, zei de Amerikaanse buitenlandminister Condolleezza Rice. Niet bruikbaar en schadelijk, echode de Britse puppet on a string Tony Blair. In de States stonden mensen en groepen op die zegden dat de 21ste eeuw de eeuw van Amerika moest zijn. Deze lui leverden de topfiguren in de regering-Bush vanaf het jaar 2000.
China moest dus uiterst voorzichtig en tactvol zijn om Amerika niet te provoceren, een low profile aanhouden, zwemmen zonder dat het water opspatte.
Pleidooi voor een harmonieuze wereld
In 2000 lanceerde Zheng Bijian, de vroegere voorzitter van het China Reform Forum en een vertrouweling van de latere president Hu Jintao het begrip 'vredelievende opkomst' om de groei van China en de steeds veelvuldiger banden met tientallen landen te omschrijven. 'Vredelievende opkomst' werd sindsdien een veel gebruikte term in het Chinese diplomatieke jargon. Maar de formulering leidde tot een interne discussie: is het woord 'opkomst' niet te offensief; zal dat sommigen, met name in de VS, niet afschrikken? In 2005 veranderde de politieke leiding de formulering. Voortaan luidt ze: 'vredelievende ontwikkeling'. Om maar te zeggen hoe voorzichtig en tactvol de Chinezen tewerk gingen.
Nog in 2005 bracht Hu Jintao voor het eerst het begrip 'harmonieuze wereld' naar voor. Die wereld moet gebaseerd zijn op 'multilateralism, samenwerking met wederzijds voordeel en zonder uitsluiting van landen'. De president formuleerde vier neens en vier ja's: neen aan hegemonie, neen aan het gebruik van macht, neen aan agressieve blokvorming, neen aan de wapenwedloop; ja aan het opbouwen van vertrouwen, ja aan het verminderen van problemen, ja aan samenwerking gericht op ontwikkeling, ja aan het vermijden van confrontatie. Voor de landen van de Derde Wereld klinkt dat als muziek in de oren. Wie sinds het kolonialisme geconfronteerd wordt met de bevelschriften uit Washington, Parijs, Londen en Brussel, vindt zich helemaal terug in de vier neens en de vier ja's van Hu Jintao.
Anders is het gesteld met de Verenigde Staten. Die hebben geen boodschap aan antikolonialisme en democratische opvattingen over de verhouding tussen de staten. Om met hen een relatie zonder al te veel oprispingen, fricties en conflicten te creëren, was er meer nodig dan tact en het aanhouden van een low profile. En dat kwam er, in de vorm van datgene wat sinds de oorsprong van het kapitalisme de god ervan is: de winst.
Aanzetten tot gematigdheid
Het openzetten van de Chinese deur lokte veel Amerikaanse ondernemingen naar wat ze als de grootste en meest belovende markt ter wereld beschouwden. Amerikaanse ondernemingen hebben tot nog toe 60 miljard dollar geïnvesteerd in 57.000 projecten in China. In 2007 stegen hun winsten in China gemiddeld met 17 procent terwijl ze in de Verenigde Staten met 3 procent daalden. Hewlett-Packard, Coca-Cola, Boeing, General Motors, Ford... zeggen dat de Chinese markt voor hun producten de snelst groeiende is. General Electric, Microsoft, Intel en Motorola hebben research-afdelingen opgericht in China. Wal-Mart, de grootste winkelketen van de VS en van de wereld, zegt dat 75 procent van zijn producten uit China komt. De meeste Amerikaanse multinationals doen florissante zaken met China. Een vijandige, conflict zoekende houding van de Amerikaanse regering zou hen veel dollars kunnen kosten.
Naarmate de buitenlandse verhoudingen uitgebreider en intenser werden, creëerde China nog een tweede stevig argument om de Amerikaanse leiders tot gematigdheid aan te zetten: de financiering van de Amerikaanse overheidsschuld. Op dit ogenblik heeft China voor ruim 800 miljard dollar aan Amerikaanse schatkistcertificaten. Het is daarmee veruit de grootste kredietverlener van de Amerikaanse overheid. De komende jaren zal de Amerikaanse regering blijvend beroep moeten doen op buitenlandse geldschieters. De regering-Obama heeft biljoenen dollar op tafel gesmeten om banken en verzekeringen te redden en de crisis te bekampen. Het Peterson Institute for International Economics in Washington berekende dat die uitgaven plus de uitgaven voor de bestaande staatsschulden en de uitgaven voor de oorlogen zeker al tot 2020 ieder jaar voor een begrotingstekort zullen zorgen van minstens 1.000 miljard dollar. De Amerikaanse zoektocht naar de financiering van dat tekort versterkt de positie van China.
De Chinese premier Wen Jiabao zei een paar jaar geleden: “Wij hebben vrienden nodig, tijd en vrede.” De Chinezen zijn er tot nog toe in geslaagd die drie voorwaarden voor hun interne economische ontwikkeling vast te houden. Hoe langer het land de huidige koers kan aanhouden, hoe sterker China en hoe zwakker de Verenigde Staten worden. Want in alle continenten duwt China de Verenigde Staten in het defensief, overal verschuiven de bestaande verhoudingen ten nadele van de Amerikanen.
Dit artikel is geschreven door Peter Franssen, redacteur van www.infochina.be op 9 december 2009.
Dit is het eerste deel van het dossier 'Hoe China de wereld verandert'.
De vier volgende afleveringen zijn:
2. Eindelijk ontwikkeling in zwart Afrika? Klik: http://www.infochina.be/nl/node/336
3. Eenheid in Latijns-Amerika. Klik: http://www.infochina.be/nl/node/337
4. Oost-Azië: de ex-habitat van de VS. Klik: http://www.infochina.be/nl/node/338
5. Het Zuiden in opkomst. Klik: http://www.infochina.be/nl/node/339
Bronnen van dit deel (in volgorde van gebruik)
- Kenneth Lieberthal, How Domestic Forces Shape the PRC's Grand Strategy and International Impact, in Ashley J. Tellis en Michael Wills, Domestic Political Change and Grand Strategy, The National Bureau of Asian Research, Seattle 2007, blz. 29-69
- Daniel Griswold, 'The Competition for World Resources: China's Demand for Commodities', Cato Institute, Presentation a the Annual Meeting of TEGMA/CMC, Puerto Vallarta, Mexico, 8 februari 2007
- Zhang Jiawei, 'China enters list of lower-middle-income countries', China Daily, 8 september 2009
- 'Hungry cities? Commodity and retail markets', China Economic Quarterly, maart 2009, blz. 43
- 'Supercities to tackle urbanization challenge', China Daily, 26 maart 2008
- Dexter Roberts, 'China Prepares for Urban Revolution', Business Week, 13 november 2008
- Kishore Mahbubani, The New Asian Hemisphere | The Irresistible Shift of Global Power to the East, Public Affairs, New York 2008, blz. 224
- Giovanni Arrighi, Adam Smith in Beijing | Lineages of the Twenty-First Century, Verso, Londen 2007, blz. 16, 179 en 290-291
- C. Fred Bergsten, Bates Gill, Nicholas R. Lardy en Derek J. Mitchell, China: the balance sheet | What the world needs to know now about the emerging superpower, Public Affairs, New York 2006, blz. 49 en 235
- Abraham Denmark en Nirav Patel, China’s Arrival: A Strategic Framework for a Global Relationship, Center for a New American Security, Washington 2009, blz. 170-171
- Chen Deming, 'Strengthen U.S.-China Trade Ties', Wall Street Journal, 27 april 2009
- Qiang Xiaoji, 'China's holdings of US debt hit record high', China Daily, 17 juli 2009
- John Plender, 'Decline but no fall', Financial Times, 12 november 2009
- Geoff Dyer en Edward Luce, 'A wary willingness', Financial Times, 20 november 2009