China en de crisis van het kapitalisme

In de Chinese hoofdstad Beijing is zopas de jaarlijkse zitting besloten van het Centraal Comité, het belangrijkste beleidsorgaan in China. De achtergrond van de samenkomst was de crisis in de kapitalistische landen en de nieuwe problemen die de eigen ontwikkeling met zich meebrengt. Wat zijn de gevolgen van die dubbele evolutie?

In onderstaande tabel kan je zien hoe de Chinese economie erin slaagde de negatieve gevolgen van de crisis in de Verenigde Staten, Japan en Europa op te vangen.

Evolutie basisgegevens Chinese economie

 

 

2005

2006

2007

2008

2009

2010*

Bruto Nationaal Product
(biljoen yuan)**

18,4

21,6

26,6

31,4

34,1

39,0

Groeiritme BNP (%)***

10,4

11,6

11,9

9,6

9,1

10,1

Inkomsten centrale overheid (biljoen yuan)

3,2

3,9

5,1

6,1

6,8

7,9

Export (miljard US $)

762

969

1.218

1.429

1.202

1.572

Import (miljard US $)

660

792

956

1.133

1.006

1.402

Investeringen uit buitenland (miljard US $)

68

60

121

94

34

40

Reserves in buitenlandse munt (miljard US $)

819

1.066

1.528

1.946

2.340

2.700

 

*: schatting

**: het BNP is uitgedrukt in absolute waarde, in lopende prijzen

***: het groeiritme van het BNP is uitgedrukt in constante prijzen

Bron: China Statistical Yearbook 2007, 2008 en 2010; GaveKal Dragonomics, China Economic Quarterly, september 2010, blz. 3; Ministry of Commerce.

In Europa, Japan en de Verenigde Staten daalde de productie in industrie, landbouw en dienstensector in 2009 met gemiddeld 3,6 procent. In China bleef de economie groeien: in het eerste crisisjaar met 9,6, in het volgende met 9,1 en in 2010 met naar schatting 10,1 procent.

Westerse economen hadden vanaf de herfst van 2008 met zekerheid voorspeld dat de financieel-economische crisis in de grote kapitalistische metropolen de 9 à 10 procent jaarlijkse groei in China van de voorbije decennia minstens zou halveren. De Chinezen zelf zegden dat ze het groeiritme van hun economie op minstens 8 procent per jaar zouden houden. Westerse economen lachten hen open en bloot uit. Hoe kunnen die Chinezen dat voorspellen; hebben ze een glazen bol?, zo klonk het. De grote baas van het Internationaal Monetair Fonds, Dominique Strauss-Kahn, een expert zoals geen ander schijnt het, zei in december 2008: "China kende vorig jaar een groei van ruim 11 procent. Die groei zal terugvallen tot 5 à 6 procent."1

De Westerse economen vergisten zich omdat ze onmogelijk vertrouwen kunnen hebben in de Communistische Partij van China: die verdedigt economische, politieke en sociale concepten die volkomen haaks staan op het haast religieuze geloof van het Westers establishment in de vrije markteconomie. Westerse politici en economen zagen niet dat de overheid in staat is de investeringen en de consumptie – de twee belangrijkste motoren van de economie – dusdanig te versterken dat het negatieve effect van de verminderde uitvoer opgevangen wordt. Ze hadden er met andere woorden geen zicht op hoe de overheid daadwerkelijk aan het roer staat van de economie. In de kapitalistische landen beveelt de economie de staat, in China beveelt de staat de economie.

In Westerse leidende kringen merk je ook een zeker misprijzen dat een racistische en klasse-basis heeft. Men denkt daar nogal snel dat China vooral groeit omdat wij, het Westen, massaal hun productie opkopen. In de Verenigde Staten bepalen sommige politici en zakenmensen de sfeer met de populistische onzin: “De Chinese economie kan maar groeien omdat de Amerikaanse consument de Chinese producten koopt.” In werkelijkheid is de Chinese uitvoer drie keer sneller toegenomen dan de groei van de Amerikaanse consumptie.2 Het is voor het Westers establishment ondenkbaar dat China gedurende nu al 32 jaar en voor 90 procent op eigen kracht een groei kan volhouden die drie tot vijf keer hoger ligt dan in de kapitalistische metropolen.  

Ter compensatie van de verzwakkende uitvoer, trok de Chinese overheid de investeringen en de overheidsopdrachten op en zorgde ze voor een nog snellere verhoging van het inkomen van de gezinnen. In de kapitalistische metropolen volgden later ook financiële anti-crisis pakketten. Maar daar was geen sprake van verhoging van het inkomen van de gezinnen. En de steun aan banken, verzekeringen en industriële mastodonten bestond daar grotendeels uit de overname van schuldbrieven van die bedrijven. Socialisering van de schuld, privatisering van de winst, zegden analisten.

In China gingen de overheidsopdrachten die de gevolgen van de crisis in de kapitalistische landen moesten opvangen, voor ruim 90 procent naar staatsondernemingen die daarmee hun leidende positie verder versterkten. Dat drukte zich onder meer uit in de bedrijfswinsten: de winst van de twee staatsbedrijven China Mobile en PetroChina was in 2009 samen hoger dan de totale winst van de 500 grootste privébedrijven. De nettowinst van de twee staatsbedrijven kwam uit op 218,3 miljard yuan. De 500 grootste privébedrijven boekten 217,9 miljard yuan winst.3

Door werkloosheid, loonstop, loonsvermindering, verhoging van rechtstreekse en onrechtstreekse belastingen, afbraak van de sociale zekerheid, ging het inkomen van de bevolking in de Verenigde Staten, Japan en Europa achteruit. In China groeide de voorbije jaar het inkomen met gemiddeld netto 8 procent per hoofd van de bevolking en per jaar.

De centrale overheid in Beijing kreeg in 2009 dubbel zoveel geld binnen als vijf jaar eerder, wat de mogelijkheden vergrootte om met meer verve en impact het land te leiden, de actieradius uit te breiden en sommige scheefgroeiingen van de voorbije 30 jaar minstens gedeeltelijk te corrigeren. Onder meer op vlak van onderwijs. Kinderen en jongeren tussen hun 6de en 15de jaar krijgen nu gratis onderwijs, zowel in de stad (sinds 2008) als op het platteland (sinds 2006). In 2009 groeide het aantal leerlingen en studenten aan tot 260 miljoen, er waren 14 miljoen voltijdse onderwijzers, leraren, docenten en proffen en het land telde 552.000 scholen.4 Tussen 2007 en 2009 verhoogde de regering de uitgaven voor onderwijs met 84 procent. Die voor gezondheidszorg groeiden met 92 procent.5

In de Verenigde Staten, Europa en Japan steeg de werkloosheid naar 10 procent en meer. In China werden tussen 2005 en 2009 ruim 50 miljoen nieuwe stedelijke jobs gecreëerd en werden nog eens 45 miljoen boeren weggetrokken uit de landbouw en tewerkgesteld in de industrie en de dienstensector. Daardoor veranderde het procentsgewijze aandeel van landbouw, industrie en diensten in de tewerkstelling op gunstige wijze. Dat is te lezen in de volgende tabel.

Aandeel van industrie, landbouw en diensten in de beroepsbevolking (in %)

 

2000

2006

2009

Landbouw

50

44

38

Industrie

22

24

28

Diensten

27

32

34

Bron: China Statistical Yearbook 2010.

In 2009 werkte nog 38 procent van de beroepsbevolking in de landbouw, een daling met 12 procentpunten sinds 2000. Ter vergelijking: in de Verenigde Staten werkt nog 1 procent van de beroepsbevolking in de landbouw. Hoe hoger het aandeel van de landbouw in de tewerkstelling, hoe minder ontwikkeld het land is en hoe moeilijker het is om de economie te doen groeien. China bouwt het landbouwaandeel in de tewerkstelling permanent af, ook terwijl de crisis in de Verenigde Staten, Europa en Japan woedt. De afname is niet alleen goed voor de productiviteit van de landbouw, het is ook de snelste weg naar emancipatie op het platteland.

Naar een nieuwe ontwikkelingsstrategie

Na een jaar crisis zei Hu Jintao, secretaris-generaal van de Communistische Partij: "Oppervlakkig gezien zou je denken dat de internationale financiële crisis China beïnvloedt op vlak van ons groeicijfer. In werkelijkheid heeft de crisis vooral invloed op onze ontwikkelingsstrategie."6

Al sinds 2003-2004 leidt de Communistische Partij een open en democratische discussie over het groeipatroon van de economie en van de maatschappij. De snelle economische groei schept en verscherpt sommige tegenstellingen en duwt een aantal cruciale problemen steeds dwingender naar de voorgrond.

De basis van de problemen en tegenstellingen blijkt altijd opnieuw de unilaterale focus op het groeicijfer te zijn. Sinds het begin van deze eeuw staat het minimumcijfer van 7,5 à 8 procent jaarlijkse economische groei prioritair voorop. Maar terwijl en omdat de economie dat doel telkens haalt en zelfs ruim overschrijdt, groeien er nieuwe besognes en wordt het unilaterale karakter van de doelstelling steeds manifester. Naarmate de groei vordert, veranderen de vereisten en doelstellingen van het socialisme.

China zal de komende decennia natuurlijk een hoge economische groei blijven nastreven. Maar de groei zal anders zijn en naast het groeicijfer komen er nieuwe prioriteiten. We kunnen proberen een synthese te maken van dat geheel.

Een eerste groot probleem is dat van de binnenlandse consumptie. Je hebt vanzelfsprekend een economisch apparaat en een infrastructuur nodig om welvaart te creëren. Ieder land dat vanuit de onderontwikkeling probeert op te klimmen, legt daarom de prioriteit bij de investeringen, noodgedwongen ten koste van de consumptie van de bevolking. Zoals in de eerste 40 à 45 jaar van de Volksrepubliek het platteland de urbanisatie financierde, zo betaalde de hele bevolking voor de investeringen en de uitbouw van de infrastructuur. De overheid liet het inkomen van de bevolking langzamer groeien dan het nationaal inkomen. Dat wil niet zeggen dat de bevolking in China verarmde. De voorbije 15 jaar groeide het inkomen ieder jaar met gemiddeld netto 7 à 8 procent per hoofd van de bevolking. Maar de industrie en de dienstensector groeien ieder jaar met 12 à 15 procent. We moeten ervoor zorgen, zo klinkt het nu, dat de inkomens het groeiritme van de industrie en de dienstensector beter volgen. We moeten dat doen via loonsverhogingen, verhogingen van de uitkeringen van de sociale zekerheid, goedkope en duurzame sociale woningen, belastinghervormingen, goedkope leningen voor het bouwen en kopen van woningen, goed uitgebouwde en goedkope openbare diensten. Er moeten nog meer staatsfondsen naar het platteland gaan, gericht op schaalvergroting en industrialisering van de landbouw en we moeten de urbanisatie nog versnellen zodat de productiviteit in de landbouw vlugger groeit, meer boeren stadsbewoners worden en de inkomenskloof tussen stad en platteland smaller wordt.

De economische groei zal op die manier meer afhangen van de binnenlandse consumptie.

 

Het tweede grote probleem is het onevenwicht tussen de verscheidene regio's. Het zwaartepunt van de economische groei lag de voorbije 30 jaar in het oosten van het land. Dat was een doelbewuste strategie. We moeten toelaten dat sommigen en sommige streken eerst tot ontwikkeling komen, zei Deng Xiaoping. De economische groei in het oosten was zo fenomenaal, soms meer dan 15 procent per jaar, dat het westen van het land de oostelijke provincies als het ware uit het zicht verloor. In het westen woont 27 procent van de bevolking. Toch wordt hier maar 17 procent van het bruto nationaal product gerealiseerd.7

Vandaag is het nationaal economisch apparaat dusdanig uitgebouwd dat het mogelijk is fabrieken en zelfs hele industrietakken te verhuizen naar het westen van het land. Tegelijk bouwt China razendsnel aan een dicht wegen- en spoorwegennet. Tussen 2010 en 2015 worden er meer kilometers spoorweg aangelegd dan in alle andere landen van de wereld samen. China zal voor 2020 het netwerk van hoge hogesnelheidstreinen uitbreiden van 6.000 naar 16.000 kilometer. John Scales, de man van de Wereldbank die in China de transportsector volgt, zegt: “De uitbouw van het net voor hogesnelheidstreinen is wellicht het grootste spoorweginitiatief in de geschiedenis.”8 Als dit project gerealiseerd is, heeft China meer kilometer hogesnelheidslijnen dan de rest van de wereld samen.9

Zo bouwt het land aan een infrastructuur die de nationale markt dynamiseert. En zo ontstaan er verbindingen die het mogelijk maken de regionale segmentatie en de administratieve opdelingen op te heffen. Het industriële apparaat zal dan van oost tot west en van noord tot zuid in elkaar haken. Dat zal de welvaartskloof tussen oost en west versmallen.

 

Het derde grote probleem ligt binnen het industrieel apparaat zelf. Om een voorbeeld te geven: tijdens de wereldbeker voetbal in Zuid-Afrika in 2010 werden er meer dan een miljoen vuvuzela's verkocht, u weet wel, die krijsende trompetten. Ze gingen daar van de hand aan 8 dollar per stuk. Ze waren haast allemaal 'Made in China' waar ze de fabriek uitgingen aan 0,3 dollar per stuk.10 De winst van de Chinese uitvoer gaat niet echt naar China.

De Chinese industriële productie is goed voor 15,6 procent van het wereldtotaal maar een groot deel daarvan is aanmaak en assemblage van laagwaardige producten. De Chinese ondernemingen hebben weinig eigen patenten en hun innovatie-kracht is zwak. Slechts 10 procent van de Chinese uitvoer gebeurt onder een Chinese merknaam. Het technisch niveau van de fabrieken is nog altijd een stuk lager dan in de Verenigde Staten, Japan en Europa, wat een zware belasting van het milieu meebrengt. De Chinese ijzer- en staalindustrie, de elektriciteitscentrales, de chemische en petrochemische fabrieken hebben gemiddeld 30 procent meer energie nodig om eenzelfde hoeveelheid producten aan te maken als de concurrenten in de Verenigde Staten, Japan en Europa.11 Tien tot 25 procent van de productiemiddelen in 18 industriële takken waaronder reuzen zoals de staal- en cementindustrie is verouderd en zou afgestoten moeten worden. Van de 123 centrale staatsondernemingen – de primussen van de economie – kunnen maar weinigen de internationale concurrentie aan. China heeft de tweede grootste economie ter wereld maar op vlak van competitiviteit staat het land slechts op de 29ste plaats.12

China heeft daarmee de kenmerken van een ontwikkelingsindustrie die alles op alles moet zetten om naar een hoger niveau te stappen. De crisis in de kapitalistische metropolen heeft een nog bitsere concurrentie meegebracht op de Chinese en internationale markten. Dat geeft de Chinese industrie een extra duw in de rug om die stap te zetten.13

Zoals bij iedere stap vooruit, zij het in een kapitalistische of een socialistische economie, is ook nu de verhoging van de productiviteit de beslissende voorwaarde. Dat kan alleen door de ontwikkeling van wetenschap en techniek, door de stimulering van onderzoek, door de uitbouw van eigen innovatie en design. Modernere productietechnieken en de daarbij horende verder doorgedreven arbeidsverdeling zullen zorgen voor een hogere productiviteit.

Op dat vlak heeft China een verbluffend inhaalmanoeuvre ingezet. De som die Beijing vrijmaakt voor onderzoek en ontwikkeling gaat sinds 2000 ieder jaar met 20 procent en meer omhoog. Daarmee stond China al in 2007, zo zegt de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling), op de tweede plaats in de wereldranglijst van uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling, vlak achter de Verenigde Staten.14 In 1995 stond China op de veertiende plaats op de wereldranglijst van publicaties in internationale tijdschriften voor wetenschap en techniek. Vandaag staat China op die lijst tweede, opnieuw vlak achter de Verenigde Staten.15

Om deze evolutie te versterken, duidde de overheid in oktober 2010 zeven sleutelindustrieën aan waar de inspanningen geconcentreerd worden. Dat zijn vier zogenoemde pijlers: milieu- en energietechnologie, informatica, biologie en hoog technologische industrie. Daarnaast zijn er drie zogenoemde leidinggevende industrieën: nieuwe energieën, elektrische auto's en nieuwe materialen. Deze zeven industrietakken zijn nu goed voor slechts 2 procent van het bruto nationaal product. In 2015 moet dat 8 procent zijn en in 2020 20 procent. Nog eens een staaltje van hoe een staatsgeleide economie veranderingen kan doorvoeren aan een turbo-tempo.

 

De aanpak van de drie opgesomde tegenstellingen en problemen maakt dat het logo “alles voor de economische groei” plaats gemaakt heeft voor “alles voor de ontwikkeling van de economie en de maatschappij”.

 

Irritatie in Washington

Naarmate China uit de onderontwikkeling klimt, groeit de irritatie in de Verenigde Staten. Dat is een beetje vreemd, want wie verheugt er zich niét over als 22 procent van de wereldbevolking de armoede achter zich laat?

Op 5 augustus 1991 maakte het Amerikaanse financieel-economische blad Forbes in The New York Times een pagina-grote reclame voor zijn volgend nummer. Over de volle breedte stond deze titel: “In China is het kapitalisme aan het winnen!”16

De Verenigde Staten hebben altijd gedroomd van een verwesterd China met een vrije markteconomie en een politiek stelsel op zijn Amerikaans. Zolang die twee voorwaarden niet vervuld zijn, zullen de Amerikaanse ondernemers en politici China 'autoritair' en 'dictatoriaal' noemen. Naarmate China sterker wordt, groeit het inzicht in de Verenigde Staten dat het land niet zal evolueren zoals Forbes in 1991 voorspeld had. Vandaar dat het American Enterprise Institute, een denktank van de Amerikaanse ondernemers, zegt: “Na 1990 hoopten we dat ons multidimensionaal engagement met Beijing zou leiden tot een sterk, rijk, vredig en democratisch China. Twee decennia later vrezen we dat dit engagement weliswaar geleid heeft naar een sterk en rijk China dat echter helaas nog altijd autoritair is.”17 Het 'autoritaire' China dwingt de Amerikaanse ondernemingen in een keurslijf. Nu maakten de 57.000 Amerikaanse ondernemingen in China in 2008 naar schatting 80 miljard dollar winst die voor het grootste deel terugvloeide naar de VS.18 Maar dat zou veel meer geweest zijn en de Amerikaanse multinationals en Chinese privé-bedrijven zouden het staatsapparaat kunnen overnemen, als de ondernemingen zo vrij waren als in de Verenigde Staten.

 

Een andere reden van irritatie: in de jaren '90 waren de Amerikaanse ondernemers en politici ervan overtuigd dat China de staatssector in de economie stapsgewijze zou afbouwen. Dat zou de grote buitenlandse privé-ondernemingen mooi uitkomen. Maar nu blijkt dat de staatssector steeds sterker wordt. Het magazine Foreign Policy, een publicatie die aanleunt bij de Democraten in de Verenigde Staten schrijft: “Naarmate China sterker en rijker wordt, groeien de door de staat gecontroleerde sectoren van de economie. Zij worden machtiger, niet de onafhankelijke privésector die doelbewust onderdrukt wordt. Zowat 95 procent van het stimuleringspakket van 586 miljard dollar dat Beijing in november 2008 afkondigde, gaat naar de ondernemingen van de staatssector. China Inc. wordt machtiger maar dat brengt de politieke hervorming geen stap dichterbij. Integendeel, de sterkere staatssector geeft de Communistische Partij nog meer middelen om de greep op de economie en de maatschappij te versterken.”19

De Britse beurskrant Financial Times constateert eveneens dat de crisis in de kapitalistische metropolen dit proces nog een extra push geeft: De financiële crisis heeft de toestand – gekend als guojinmintui – nog verergerd: de staat gaat vooruit terwijl de privé terugtrekt. Staatsbedrijven hebben enorme stimulus-gebonden leningen gekregen die ze nu gebruiken om privé ondernemingen op te kopen.”20

 

Er is nog een derde factor van irritatie: naarmate China economisch tot ontwikkeling komt, groeien sommige Chinese ondernemingen uit tot concurrenten, weliswaar nog op bescheiden schaal, maar de evolutie is wel duidelijk. Zij breiden hun aandeel op de Chinese markt steeds verder uit en bovendien worden ze ieder jaar actiever op de internationale markten.

 

Deze factoren en de steeds nauwere banden die China smeedt met Azië, Afrika en Latijns-Amerika zorgen voor een fundamentele wijziging van de verhoudingen op wereldvlak: het soortgelijk gewicht van de Verenigde Staten en de Europese Unie daalt. Dermate dat de Verenigde Staten en Europa hun greep verliezen op een hele resem ontwikkelingslanden. De banden die China smeedt zijn op de eerste plaats van economische aard: China heeft de andere ontwikkelingslanden in Azië, Afrika en Latijns-Amerika nodig, net zoals die landen China nodig hebben. Het zijn relaties van wederzijds voordeel, gebaseerd op economische winst en economische ontwikkeling.

De crisis in de Verenigde Staten en Europa heeft ook dit proces een ferme duw in de rug gegeven. In 2009 ging de wereldwijde invoer met 23 procent achteruit. De invoer van de Verenigde Staten daalde dat jaar zelfs met 26 pocent. In China ging de invoer met slechts 11 procent achteruit. In 2010 stijgt de invoer van de grote kapitalistische landen terug, met naar schatting 12 procent.21 Maar in China stijgt de invoer met naar schatting 40 procent.22 De crisis heeft ervoor gezorgd dat China nu de belangrijkste motor van de wereldeconomie is, nadat de Verenigde Staten dat 65 jaar aan een stuk waren. Zo komt het dat China in 2009 de eerste handelspartner van Afrika geworden is, ten nadele van de Verenigde Staten. Dat jaar stak China ook de VS voorbij als eerste handelspartner van Brazilië, het grootste en belangrijkste land van Latijns-Amerika. In 1995 voerde Japan drie keer meer uit naar de Verenigde Staten dan naar China. Maar nu is China de grootste invoerder van Japanse producten. China is ook de eerste handelspartner van Australië, Taiwan, Zuid-Korea en India. Dat maakt de positie van de Verenigde Staten in Azië een heel stuk zwakker: Taiwan, Zuid-Korea, Japan en Australië waren bondgenoten van de VS, erop gericht China in bedwang te houden. China is zelfs een grotere invoerder van olie uit het Midden-Oosten geworden dan de Verenigde Staten. Het Midden-Oosten!, – al zestig of zeventig jaar het privé olieveld van de VS.

De verbondenheid van Azië, Afrika en Latijns-Amerika met China wordt voortdurend sterker. Niet in het minst omdat de verkoop van grondstoffen aan China gepaard gaat met de financiering en organisatie van infrastructuurwerken in de ontwikkelingslanden. Het is precies de infrastructuur die daar ontbreekt om de armoede en de onderontwikkeling te doorbreken. Zelfs de Britse beurskrant Financial Times schrijft: “Sommige Westerse commentatoren beschrijven China's relatie met Afrika als een nieuwe vorm van kolonialisme gebaseerd op de zoektocht naar grondstoffen. Die kritiek is in hoge mate misplaatst. De Westerse ontwikkelingsstrategie was misschien goed bedoeld maar heeft de cyclus van onderontwikkeling in Afrika niet doorbroken. Chinese investeringen die ingegeven zijn door zakelijke belangen, doen de tewerkstelling en de groei in Afrika toenemen en bieden uitzicht op een alternatieve weg vooruit. De Chinezen bouwen aan een infrastructuur die ook positieve gevolgen zal hebben voor industrietakken buiten de grondstoffen.”23

De band tussen de drie continenten van de Derde Wereld en China en de voordelen die deze samenwerking brengt, doen de ideeënstrijd tussen kapitalisme en socialisme oplaaien. Nobelprijswinnaar en professor economie Joseph Stiglitz schrijft: “Geen enkele ernstige crisis gaat voorbij zonder sporen na te laten. Tot de erfenis van de huidige crisis hoort het wereldwijde gevecht tussen ideeën en over de vraag welk economisch systeem het beste is voor het volk. Nergens wordt dat gevecht feller gevoerd dan in de Derde Wereld, onder de mensen in Azië, Latijns-Amerika en Afrika. Hier woedt de ideeënstrijd tussen kapitalisme en socialisme. (…) De landen van de Derde Wereld zijn er steeds meer van overtuigd dat je de Amerikaanse economische idealen niet moet omarmen maar er zo snel mogelijk moet van weghollen.”24

 

Naar een nieuwe Koude Oorlog

De opkomst van China en de financieel-economische crisis zorgen voor een meer agressieve sfeer in de Verenigde Staten. Al in 1997 schreef minister van Defensie William Cohen aan zijn president, de Democraat Bill Clinton, dat “de Amerikaanse strijdkrachten als taak hebben ons de onbelemmerde toegang te verzekeren tot sleutelmarkten, energiebevoorrading en strategische grondstoffen.”25 Sinds de publicatie van deze memorabele woorden schuift een hele reeks grondstoffen- en energielanden weg uit de Amerikaanse invloedssfeer. Hoe die evolutie stoppen? In 2005 verwoordde Robert Kaplan de conclusie die een meerderheid van Amerikaanse beleidsmakers getrokken heeft. Kaplan is lid van het 'Center for a New American Security', een denktank die haar doel omschrijft als: Het ontwikkelen van een sterk, pragmatisch en principieel beleid voor nationale veiligheid en defensie met het oog op de bescherming en de bevordering van de Amerikaanse belangen en waarden.26 Onder Barack Obama werd Kaplan lid van de Defense Policy Board Advisory Committee, een invloedrijk adviesorgaan van het Pentagon. In juni 2005 publiceerde hij in het tijschrift The Atlantic Monthly een artikel onder de kop: 'Hoe we China zullen bekampen'. Kaplan schrijft: "Als de oorlog in Irak uitdraait op een democratisch succesverhaal dan zal het toch een pyrrusoverwinning zijn. Niemand in het militair en politiek establishment wil dat nog eens overdoen. Zeker niet in Azië waar de economische gevolgen van zo'n gevaarlijk militair avontuur onoverzienlijk zijn want de Verenigde Staten en China hebben de mogelijkheid te blijven vechten zelfs als één van beide een grote militaire veldslag verliest of als ze mekaar met raketten bestoken.27

Daarom kiest Kaplan – en voorlopig ook een meerderheid in de zakenwijk van Wall Street in New York en het politieke hoofdkwartier in Washington – voor een reeks confrontaties op ideologisch, politiek en economisch vlak naar het voorbeeld van de constante strijd met de Sovjet-Unie tussen 1945 en 1990.

Washington stevent zo linea recta af op een nieuwe Koude Oorlog. Eén van de eerste hoofdstukken daarin zal allicht een handelsoorlog zijn. De Verenigde Staten sluiten nu al hun grenzen voor een aantal Chinese producten en voor de meeste Chinese investeringen. In het Amerikaanse Congres komt een meerderheid tot stand om op alle Chinese producten een hoge invoertol te heffen. Daarmee zou de handelsoorlog een feit zijn.

 

Dit artikel is geschreven door Peter Franssen op 1-3 november 2010. Het is ook bedoeld als nawoord bij de Spaanse uitgave van het boekje 'Welke weg slaat China in?' dat de auteur in 2007 in de reeks Marxistische Studies in het Nederlands en Frans publiceerde. Een bespreking van dat boekje is hier te vinden: http://www.archivesolidaire.org/scripts/article.phtml?section=A2AAABBOBB&obid=35036. De Spaanse uitgave verschijnt in december 2010 in Madrid.

1Angela Balakrishnan, “IMF chief issues stark warning on economic crisis”, The Guardian, 16 december 2008.

2Stephen D. King, Losing Control – The emerging threats to Western prosperity, Yale University Press, New Haven en Londen 2010, blz. 233.

3“Chinese staatsbedrijven overklassen privésector”, De Tijd, 31 augustus 2010.

4Xu Jingyue, Li Bin, Wu Jing, en Huang Xiaoxi, “The Party Central Committee's kind attention to educational reform and development”, Xinhua, 16 juli 2010.

5Information Office of the State Council, “White Paper on China's human resources”, Xinhua, 10 september 2010.

6Wang Jianjun, “Central authorities forge new consensus on speeding up”, Liaowang, 21 februari 2010.

7Ren Zhongpin, “New fulcrum for China's modernization”, Renmin Ribao, 14 juli 2010.

8Jamil Anderlini en Mure Dickie, “A future on track”, Financial Times, 23 september 2010.

9Jamil Anderlini, “Beijing's growth plans eclipse 'golden age' of construction”, Financial Times, 7 oktober 2009.

10Qi Zhongxi, Liu Juhua en He Zongyu, “New Hopes for Made in China products”, Xinhua, 21 juli 2010.

11Wang Jianjun en Wang Rengui, “Strategic tasks in 12th 5-Year Program period”, Liaowang, 19 september 2010.

12Ren Lixuan, “Grasping strategic focus of change of economic development model - Economic structural adjustment”, Renmin Ribao, 19 september 2010.

13Wang Gang (minister van Wetenschap en Techniek), “To promote transformation by using a four-wheel drive system”, Renmin Ribao, 8 januari 2010.

14James Wilsdon en James Keeley, China: The next science superpower?, Demos, Londen, 2007, blz. 6.

15Evan Osnos, “Science superpowers”, The New Yorker, 7 januari 2010.

16Richard Smith, “The Chinese road to capitalism”, New Left Review, mei-juni 1993, blz. 31.

17Dan Blumenthal, “America and Japan approach a rising China”, AEI Outlook, december 2006.

18Zha Wenye en Wang Jianhua, The United States should take credible steps to improve its investment environment for China, Xinhua, 26 juli 2010.

19John Lee, “An insider's guide to Washington's China war”, Foreign Policy In Focus, 28 juli 2009.

20David Oakley, “Building success”, Financial Times, 9 november 2009.

21Wereldhandelsorganisatie, “Trade growth forecast revised upwards for 2010”, Persmededeling 616, 20 september 2010.

22Gong Wen, “Interview with Huo Jianguo, Dean of the Research Institute for International Trade and Economic Cooperation under the Ministry of Commerce”, Renmin Ribao, 28 juli 2010.

23“China’s new scramble for Africa”, Financial Times, 25 augustus 2010.

24Joseph Stiglitz, “Wall Street’s toxic message”, Vanity Fair, juli 2009.

25William Cohen, “Report of the Quadrennial Defense Review”, Ministerie van Defensie, Sectie III Defense Strategy, mei 1997, blz. 8.

27Robert Kaplan, “How we would fight China”, The Atlantic Monthly, juni 2005, blz. 50-51.