China, dat is van west naar oost even ver als van Brussel tot Kazachstan. Van noord naar zuid even ver als van Brussel tot Burkina Faso. Niet simpel om in dit uitgestrekte land een succesvolle economische politiek te voeren. En toch. Al 30 jaar gaat China economisch vooruit zoals zelden gezien is in de geschiedenis.
Maar wat betekenen de cijfers voor de mensen op het platteland en in de steden? Vertaalt de economische groei zich ook daadwerkelijk in een vooruitgang voor de mensen?
Economische ontwikkeling
De sterke economische groei zorgt voor een inhaalmanoeuvre op wereldvlak. China heeft nu de vierde grootste economie ter wereld. Enkel de Verenigde Staten, Japan en Duitsland doen beter. In de tabel hieronder zie je hoe het bruto binnenlands product (BBP, wat in één jaar aan goederen en diensten geproduceerd wordt) van China evolueerde in verhouding tot het BBP van de VS, Japan en Duitsland en tot de wereldeconomie :
Tabel 1: Grootte van China's economie
|
|
Duitsland |
Japan |
VS |
Wereldeconomie |
|
China 2002 |
72% |
37% |
14% |
4,4% |
|
China 2007 |
91% |
60% |
20% |
5,9% |
In 2007 had China Duitsland bijna ingehaald. Aan het ritme van de voorbije vijf jaar gerekend, zal China Japan inhalen in 2015. China en de VS komen op gelijke hoogte in 2030: hun economie zal dan even groot zijn, maar het Chinees BBP per inwoner zal dan nog altijd maar één vierde bedragen dan het Amerikaanse.
De economische groei zorgt ook voor een stijging van het overheidsinkomen. Het financieel inkomen van de staat is in de periode 2002-2007 bijna verdrievoudigd. In 2007 was dat 5,13 biljoen yuan (een biljoen is duizend miljard). Deze eeuw kende het fiscaal inkomen van de staat een jaarlijkse gemiddelde groei van 22 procent. Dankzij de groei van dat inkomen heeft de staat grote infrastructuurwerken kunnen uitvoeren en sommige zwakke punten in de economische en sociale ontwikkeling kunnen verbeteren.
Van landbouweconomie naar industriestaat
De landbouw neemt een steeds kleiner deel van de economie voor zijn rekening. Het aandeel van de industrie in de economie is de voorbije 30 jaar nagenoeg constant gebleven terwijl de dienstensector een belangrijk aandeel van de landbouw overneemt.
Tabel 2: Aandeel van landbouw, industrie en diensten in de economie
|
Jaar |
Landbouw |
Industrie |
Diensten |
|
1978 |
29% |
47% |
24% |
|
1988 |
25% |
44% |
31% |
|
1998 |
19% |
49% |
32% |
|
2004 |
15% |
52% |
33% |
|
2007 |
11% |
49% |
40% |
De landbouwproductie maakt nog slechts 11 procent uit van de totale economische productie.

In de tewerkstelling is de evolutie van landbouweconomie naar industriële economie veel minder snel. In China zijn 764 miljoen mensen aan de slag: 325 miljoen in de landbouw, 192 miljoen in de industrie en 246 miljoen in de dienstensector. Het aantal werkenden in de landbouw neemt jaar na jaar af: hun procentueel aandeel in het totaal aantal tewerkgestelden is sinds 1952 – het begin van de economische opbouw – gedaald met de helft.
Tabel 3: Tewerkstelling per economische sector
|
Sector |
1952 |
1957 |
1965 |
1978 |
2004 |
2007 |
|
Landbouw |
83% |
81% |
82% |
70% |
46% |
42% |
|
Industrie |
7% |
9% |
8% |
17% |
23% |
25% |
|
Diensten |
10% |
10% |
10% |
13% |
31% |
33% |
|
TOTAAL |
100% |
100% |
100% |
100% |
100% |
100% |
Bijna 290 miljoen boeren hebben de akker achter zich gelaten en zijn naar de industrie en de dienstensector getrokken. Op het platteland heeft zich een industrie ontwikkeld die districts- en dorpsondernemingen genoemd wordt, TVE's. In 1978 stelden deze fabriekjes en commerciële ondernemingen 28 miljoen mensen tewerk. Vandaag zijn er dat 147 miljoen. Nog eens 140 miljoen plattelandsbewoners zijn naar de industrie en de dienstensector rond de steden getrokken om daar tijdelijk te werken.
Ondank die enorme verschuivingen blijft toch nog 42 procent van de werkende bevolking actief in de landbouw, de veeteelt, de bosbouw en de visserij. Het cijfer toont hoe China nog altijd een land van de Derde Wereld is.
Om de verplaatsing van honderden miljoenen arbeidskrachten uit de landbouw naar de industrie en de diensten mogelijk te maken, moet de productiviteit in de landbouw omhoog: met minder mensen toch meer landbouwproducten voortbrengen, anders kan het land zichzelf niet meer voeden. Een belangrijke voorwaarde daarvoor is de mechanisering van de landbouw. Hoe groter de mechanisatie, hoe grootschaliger de landbouw kan worden, hoe meer de productiviteit stijgt. De mechanisatie van de landbouw kende dit verloop:
Tabel 4: Mechanisatie van de landbouw
|
Jaar |
Energie landbouwmachines (miljoen kw) |
Grote en middelgrote tractoren (aantal) |
|
1978 |
11,7 |
557.000 |
|
1990 |
28,7 |
813.000 |
|
2000 |
52,6 |
974.000 |
|
2003 |
60,0 |
980.000 |
|
2004 |
64,0 |
1.120.000 |
|
2007 |
75,0 |
1.839.000 |
Zoals in alle derdewereldlanden met een jonge bevolking blijft ook in China de tewerkstelling één van de hoofdproblemen. Tot 2020 zullen er ieder jaar gemiddeld 15 miljoen meer Chinezen aan het werk gaan. Om de drie jaar komen er zo evenveel nieuwe jobs bij als de totale tewerkstelling in Duitsland, Europa's economische motor. In 2020 zal het land 850 miljoen werkende mensen tellen. Dat is bijna zes keer meer dan in de Verenigde Staten. In de steden zullen 510 miljoen mensen aan het werk zijn, bijna het dubbele van vandaag. De grootste groep nieuw-werkenden in de steden wordt gevormd door weer een nieuwe massa van 150 miljoen plattelandsbewoners die de komende 12 jaar naar de (nieuwe) steden zullen trekken. De verstedelijking zal een nieuwe stap vooruit zetten. De voorbije 30 jaar evolueerde de verstedelijking zo:
Tabel 5: Evolutie stads- en plattelandsbevolking 1978-2007
|
|
1978 |
2007 |
Evolutie 1978-2007 |
|
Bevolking |
962 miljoen |
1.314 miljoen |
+ 36% |
|
Platteland |
790 miljoen (82%) |
720 miljoen (55%) |
- 9% |
|
Stad |
172 miljoen (18%) |
594 miljoen (45%) |
+ 245% |
Inkomen en koopkracht
De Wereldbank neemt de norm van 1 dollar per dag als graadmeter voor de armoede: wie minder heeft dan één dollar per dag valt in de categorie 'arm'. Volgens de Wereldbank verminderde China het aantal armen sinds 1980 met 400 miljoen. Er blijven volgens de Wereldbank nog 80 miljoen armen over. Dat aantal neemt jaar na jaar af.
Maar de economische groei is ongelijk. De ontwikkelingsstappen beginnen altijd eerst in een aantal steden en regio's langs de oostkust van het land. Vanuit die centra deint de economische en sociale groei dan uit naar de verderaf gelegen gebieden, met vertraging en meestal aan een lager ritme. De stad Shanghai is zo een centrum. De stadsregio kent al 16 jaar een economische groei van meer dan 10 procent. In 2007 groeide de economie daar met 13,3 procent, opnieuw een stuk hoger dan het landsgemiddelde en nog een stuk hoger dan de groei op het platteland.
Het verschil in economische groei tussen stad en platteland zie je ook vertaald in de groei van het inkomen: iedereen gaat erop vooruit maar niet iedereen even snel. Vandaar dat de kloof tussen rijke en armere gebieden toeneemt. Ook de inkomenskloof tussen de boeren en de industrie-arbeiders groeit.
Het beschikbaar inkomen van de stedelingen steeg in de periode 2002-2007 met gemiddeld 9,8 procent per jaar, na aftrek van de stijging van de consumptieprijzen. Het is dus een netto inkomensstijging per jaar. Het netto beschikbaar inkomen van de plattelandsbewoner steeg in 2002-2007 met jaarlijks gemiddeld 6,8 procent.
Voor het jaar 2007 alleen steeg het netto beschikbaar inkomen van de gemiddelde Chinese stedeling met 12,2 procent. Dat van de plattelandsbewoner met 9,5 procent. Hieronder kan je zien hoe het netto beschikbaar inkomen van de stedeling en de plattelandsbewoner de voorbije tien jaar groeide.
Tabel 6: Evolutie netto-inkomen per hoofd van de bevolking, inflatie-gezuiverd
|
Jaar |
Platteland: evolutie tgo. jaar ervoor |
Stad: evolutie tgo. jaar ervoor |
|
1998 |
+4,5% |
+5,7% |
|
1999 |
+3,7% |
+9,4% |
|
2000 |
+2,1% |
+6,3% |
|
2001 |
+4,1% |
+8,6% |
|
2002 |
+4,9% |
+13,4% |
|
2003 |
+4,1% |
+8,9% |
|
2004 |
+6,9% |
+7,8% |
|
2005 |
+6,2% |
+9,6% |
|
2006 |
+7,4% |
+10,4% |
|
2007 |
+9,5% |
+12,2% |
De toegenomen welvaart is af te lezen uit de verkoop in de winkels: die nam in 2007, na aftrek van de stijging van de prijzen, toe met 12,5 procent. De stijging van de winkelverkoop is hoger dan de stijging van he netto-inkomen omdat de Chinees minder spaart en meer consumeert.
Je ziet de toegenomen welvaart ook aan de Engel-coëfficiënt; dat is het percentage van de voeding in de totale consumptie-uitgaven. Dit is de evolutie van de Engel-coëfficiënt sinds 1978:
Tabel 7: Aandeel van de voeding in totaal bestedingen
|
Jaar |
Stad |
Platteland |
|
1978 |
57,5% |
67,7% |
|
1980 |
56,9% |
61,8% |
|
1990 |
54,2% |
58,8% |
|
2000 |
39,4% |
49,1% |
|
2002 |
37,7% |
46,2% |
|
2004 |
37,7% |
47,2% |
|
2006 |
36,7% |
43,1% |
|
2007 |
36,3% |
43,1% |
Naarmate het inkomen stijgt en zowel plattelandsbewoner als stedeling procentueel minder moet uitgeven aan voeding, stijgt het aantal duurzame consumptiegoederen.
Tabel 8: Duurzame consumptiegoederen in de steden (per 100 huishoudens)
|
Consumptiegoed |
1990 |
1995 |
2000 |
2004 |
2006 |
|
Motorfiets |
2 |
6 |
19 |
25 |
26 |
|
Wasmachine |
78 |
88 |
90 |
96 |
97 |
|
Koelkast |
42 |
66 |
80 |
90 |
92 |
|
Kleuren TV |
59 |
90 |
116 |
133 |
137 |
|
Air conditioner |
0,3 |
8 |
30 |
70 |
88 |
|
Boiler |
ng |
30 |
49 |
70 |
75 |
|
Computer |
ng |
ng |
10 |
33 |
47 |
|
GSM |
ng |
ng |
19 |
111 |
153 |
|
Auto |
ng |
ng |
0,5 |
2,2 |
4,3 |
Tabel 9: Duurzame consumptiegoederen op het platteland (per 100 huishoudens)
|
Consumptiegoed |
2000 |
2003 |
2004 |
2006 |
|
Motorfiets |
22 |
32 |
36 |
46 |
|
Wasmachine |
28 |
34 |
37 |
43 |
|
Koelkast |
12 |
16 |
18 |
22 |
|
Kleuren TV |
48 |
67 |
75 |
89 |
|
Zwart-wit TV |
53 |
43 |
38 |
17 |
|
Air conditioner |
1,3 |
3,5 |
4,7 |
7,3 |
|
GSM |
4,3 |
24 |
35 |
62 |
|
Vaste telefoon |
26 |
49 |
54 |
65 |
Ook hier zien we hoe het platteland 10 à 15 jaar achter ligt op de steden.
Onderwijs
In 1977 kon 66 procent van de bevolking lezen en schrijven. Nu is dat 91 procent. China heeft het grootste scholennet ter wereld. De kleuterklassen tellen 23 miljoen kinderen. Het lager onderwijs heeft 108 miljoen leerlingen, het lager middelbaar 60 miljoen, het hoger algemeen middelbaar 25 miljoen, het hoger middelbaar beroepsonderwijs 18 miljoen. 98,93 procent van de meisjes tussen 6 en 12 jaar volgt lager onderwijs. Bij de jongens is dat 98,97 procent. Bijna één op de twee tieners tussen 12 en 18 jaar volgt middelbaar onderwijs.

Vooral het aantal studenten in universitair en hoger niet-universitair onderwijs is indrukwekkend gestegen. Dit is de evolutie van het aantal studenten:
Tabel 10: Aantal studenten aan universiteiten en hogescholen
|
Jaar |
Aantal |
|
1978 |
856.000 |
|
1990 |
2,0 miljoen |
|
1995 |
2,9 miljoen |
|
2000 |
5,5 miljoen |
|
2003 |
11,0 miljoen |
|
2004 |
13,3 miljoen |
|
2006 |
17,4 miljoen |
Daarmee is China het land met de meeste universiteits- en hogeschoolstudenten. Nog eens 1,1 miljoen jongeren volgt post-universitair onderwijs. Er studeren ook 200.000 buitenlandse jongeren aan Chinese universiteiten. In 1990 ging 3 procent van de jongeren boven de 18 naar een unief of hogeschool. Dat is nu 16 procent. Dat moet volgens plan in 2010 23 procent zijn en in 2020 opklimmen tot 40 procent. Vandaag heeft 5 procent van de jongeren die voor het eerst gaan werken universitair of hoger niet-universitair onderwijs genoten. In 2050 moet dat 44 procent zijn.
Volksgezondheid
De verhoging van het levensniveau en van de levenskwaliteit heeft geleid tot een langere levensduur. Een Chinees kind dat in 1950 geboren werd, had een levensverwachting van 35 jaar. Dat is sindsdien ruim verdubbeld. Dit is de evolutie:
Tabel 11: Levensverwachting bij de geboorte (jaar)
|
Plaats |
1990 |
2000 |
|
Nationaal |
68,5 |
71,4 |
|
Beijing |
72,8 |
76,1 |
|
Shanghai |
74,9 |
78,1 |
|
Jianxi |
66,1 |
68,9 |
|
Guizhou |
64,2 |
65,9 |
|
Yunnan |
63,4 |
65,4 |
|
Tibet |
59,6 |
64,3 |
|
Qinghai |
60,5 |
66,3 |
|
Xinjiang |
62,5 |
67,4 |
Je ziet hoe de ongelijke economische ontwikkeling per regio zich ook vertaalt in de levensverwachting. De bovenstaande cijfers komen uit het bevolkingsonderzoek in 2000. Intussen zijn er voor sommige gebieden meer recente cijfers. In Bejing en Shanghai is de levensverwachting nu gestegen tot 79 jaar voor de mannen en 81 jaar voor de vrouwen.
Toch scoort China veel minder goed op vlak van volksgezondheid dan men zou verwachten. De voorbije 30 jaar is de economie jaarlijks gegroeid met bijna 10 procent. Die stijging is veel minder af te lezen in het aantal ziekenhuisbedden en in het aantal medisch en para-medisch personeel. Vooral de grote achterstand en zelfs achteruitgang van het platteland is verontrustend. Hieronder kan je zien hoeveel bedden in gezondheidsinstellingen (ziekenhuizen, moederhuizen, sanatoria, gespecialiseerde hospitalen...) er zijn per 10.000 inwoners, in de steden en op het platteland. Daarnaast zie je ook het aantal leden medisch personeel per 10.000 inwoners.
Tabel 12: Bedden in gezondheidsinstellingen en medisch personeel per 10.000 inwoners
|
Jaar |
Bedden in gezondheidsinstellingen |
Medisch personeel |
||
|
|
Stad |
Platteland |
Stad |
Platteland |
|
1952 |
12,1 |
3,9 |
22,5 |
46,5 |
|
1970 |
51,0 |
59,5 |
59,6 |
85,7 |
|
1980 |
76,8 |
121,4 |
131,3 |
148,5 |
|
1990 |
138,7 |
123,7 |
218,5 |
171,3 |
|
1995 |
174,0 |
109,7 |
265,9 |
159,8 |
|
2000 |
191,4 |
103,4 |
283,5 |
165,6 |
|
2003 |
215,0 |
101,5 |
282,8 |
147,8 |
|
2005 |
234,0 |
102,8 |
300,6 |
154,5 |
|
2006 |
243,8 |
107,4 |
314,8 |
147,6 |
De cijfers tonen hoe onder de leiding van Mao Zedong er veel belang gehecht werd aan het ontwikkelen van de infrastructuur voor de gezondheidszorg en hoe het platteland hierin voorrang kreeg op de steden. In 1980 waren er meer gezondheidsinstellingen en medisch personeel per 10.000 inwoners op het platteland dan in de steden. Dat is voor een land van de Derde Wereld ongewoon.
Maar met het begin van de hervormingen in 1978 werd ook het gezondheidssysteem dat verbonden was aan de communes opgedoekt. De overheid dacht dat een verregaande liberalisering van de gezondheidszorg de remedie was. De gevolgen van die keuze zijn zichtbaar: vanaf 1980 gaat het bergaf met de gezondheidszorg op het platteland.
Het aantal medisch personeel per 10.000 inwoners ligt nu op het platteland maar net even hoog als in 1980 terwijl het in de steden met 250 procent toegenomen is. In de steden zijn er nu per 10.000 inwoners dubbel zo veel dokters en drie keer zoveel verpleegsters als op het platteland.
Op het vlak van het aantal ziekenhuisbedden per 10.000 inwoners zien we op het platteland na 1980 eveneens een achteruitgang die pas de laatste drie jaar stukje per beetje en slechts gedeeltelijk goedgemaakt wordt. Het aantal ziekenhuisbedden ligt nog een stuk onder het niveau van 1980-1990. In de steden is het aantal ziekenhuisbedden per 10.000 inwoners daarentegen verdrievoudigd.
President en partijvoorzitter Hu Jintao en de regering van premier Wen Jiabao hebben in 2006 van de ontwikkeling van het platteland, inclusief de gezondheidszorg, de prioriteit der prioriteiten gemaakt. Dat deden ze ook al in 2002. Men moet constateren dat het resultaat tot nog toe ondermaats is.
Wonen
Er wordt in China gebouwd dat het een lieve lust is. Niet alleen openbare gebouwen en grote infrastructuurwerken maar ook woningen en appartementen.

China telt 48.000 bouwbedrijven en 10 miljoen bouwvakkers. Met zo een massa stijgt het aantal vierkante meter woonruimte per Chinees aanzienlijk. Dit is de evolutie:
Tabel 13: Woonruimte in stad en platteland (vierkante meter per inwoner)
|
Jaar |
Stad |
Platteland |
|
1978 |
6,7 |
8,1 |
|
1990 |
13,7 |
17,8 |
|
2000 |
20,3 |
24,8 |
|
2002 |
22,8 |
26,5 |
|
2004 |
25,0 |
27,9 |
|
2005 |
26,1 |
29,7 |
|
2006 |
27,2 |
30,7 |
Vroeger woonden in stad en platteland drie tot zelfs vier generaties samen in kleine en ongezonde huisjes of appartementen. Die tijd is bijna helemaal voorbij. Vooral in de steden is de vooruitgang opmerkelijk: in de voorbije 30 jaar zijn er 422 miljoen stedelingen bijgekomen. Toch steeg de woonruimte per stedeling van 7 naar 27 vierkante meter en rond de steden – zeer ongewoon voor een derdewereldland dat een snelle verstedelijking meemaaakt – zie je geen sloppenwijken.